|
Uitspraak
02/3256 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht, nr. AWB 01/530,
van 31 mei 2002, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 januari
2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich niet
heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In oktober 2000 heeft gedaagde van de gemeente Dordrecht het bericht
ontvangen dat appellant, die een uitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw) ontving, op 2 maart 2000 in het huwelijk is
getreden.
Bij besluit van 21 november 2000 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat zijn recht op een Anw-uitkering is geëindigd op 31
maart 2000 omdat appellant is getrouwd. Bij dit besluit is een
(toelichtende) brief gevoegd, waarin is aangegeven dat appellant door de
beëindiging van zijn Anw-uitkering per genoemde datum een bedrag ad f
5.274,37 teveel aan uitkering heeft ontvangen en dat gedaagde van plan
is dit bedrag terug te vorderen. Voorts heeft gedaagde aangegeven dat
appellant zijn mededelingsverplichting heeft geschonden en dat gedaagde
daarom van plan is een boete op te leggen. Ten aanzien van de gevorderde
bedragen heeft gedaagde een betalingsvoorstel gedaan waarop appellant
binnen zes weken kon reageren. De brief vervolgt: "Daarna ontvangt
u een beslissing over de boete en de terugvordering. Bovendien nemen wij
een beslissing over de wijze van betaling van het te veel betaalde en de
boete." Expliciet is in de brief nog vermeld dat tegen de
aankondiging van de boete en dit betalingsvoorstel het indienen van een
bezwaarschrift niet mogelijk is.
In zijn bezwaarschrift heeft appellant aangevoerd dat hij gehuwd is op
de Filippijnen, de erkenning van zijn huwelijk in Nederland pas in
november van 2000 heeft plaatsgevonden en dat zijn echtgenote nog geen
permanente verblijfsvergunning heeft zodat hij zelfs formeel nog niet
gerechtigd is tot permanente samenwoning met zijn vrouw. Hierdoor meent
appellant dat hij gedaagde tijdig heeft geïnformeerd en dat hij recht
behield op Anw-uitkering tot en met november 2000 waardoor de
terugvordering en de boete niet terecht zijn vastgesteld.
Bij beslissing op bezwaar van 20 april 2001 heeft gedaagde het bezwaar
voorzover gericht tegen de vooraankondiging van de terugvordering en de
boete niet-ontvankelijk verklaard, omdat de definitieve besluiten
hieromtrent nog niet zijn genomen. Voorts heeft gedaagde het bezwaar
tegen de beëindiging van de Anw-uitkering per 1 april 2000 ongegrond
verklaard. Hiertoe heeft gedaagde overwogen dat appellant op 2 maart
2000 in het huwelijk is getreden met [naam echtgenote]. Het feit dat het
huwelijk pas later in Nederland is erkend en zijn echtgenote pas vanaf 6
december 2000 op zijn adres ingeschreven staat, doet hier niet aan af.
Van dringende redenen om van de herziening van de Anw-uitkering af te
zien is in het geval van appellant geen sprake.
De rechtbank heeft dit oordeel van gedaagde onderschreven en het beroep
van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant nogmaals aangevoerd dat zijn relevante
omstandigheden in het kader van de Anw niet eerder dan medio november
2000 zijn veranderd omdat is onderzocht of er sprake was van het sluiten
van een schijnhuwelijk en zijn echtgenote eerst na afsluiting van dit
onderzoek toestemming van de Nederlandse overheid kreeg om naar
Nederland te komen. Volgens appellant kan er zolang de overheid het
vormen van een gezamenlijke huishouding belet nog geen sprake zijn van
een huwelijk. Appellant voelt zich ongelijk behandeld ten opzichte van
mensen die ongehuwd gaan samenwonen in welk geval de Anw-uitkering beëindigd
wordt als sprake is van een gezamenlijke huishouding. Appellant heeft
ter zitting nog gewezen op de brief van gedaagde van 25 oktober 2000
waarin appellant is gevraagd vanaf welke datum hij een gezamenlijke
huishouding is gaan voeren. Uit de redactie van deze brief leidt
appellant af dat ook gedaagde voor de bepaling van het beëindigingsmoment
van de Anw-uitkering in eerste instantie het moment van samenwonen
binnen het huwelijk van belang heeft geacht. Derhalve valt appellant
niet te verwijten dat hij de sluiting van zijn huwelijk niet eerder
heeft gemeld. In dit verband heeft appellant nog gewezen op de
divergentie bij verschillende overheidsinstanties, zoals de
belastingdienst en de gemeente, bij welke instanties het tijdstip van
samenwonen essentieel wordt geacht en niet de datum van de
huwelijkssluiting. Voorts is appellant het niet eens met het standpunt
van de rechtbank dat slechts sprake was van een voornemen tot
boeteoplegging nu hij bij schrijven van 26 oktober 2001 juist een
beslissing over de terugvordering en de boete heeft ontvangen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder b van de Anw eindigt het recht
op nabestaandenuitkering onder meer indien de nabestaande in het
huwelijk treedt. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 2
maart 2000 op de Filippijnen een rechtsgeldig huwelijk heeft gesloten.
Dat vervolgens in het kader van de aanvraag om een vergunning tot
verblijf voor de echtgenote een onderzoek is gevolgd naar een mogelijk
aangegaan schijnhuwelijk van appellant en zijn echtgenote, voordat zij
kon worden toegelaten tot Nederland waar appellant al verbleef, kan niet
afdoen aan de rechtsgeldigheid van dit huwelijk. Voorts zijn de
erkenning van dat huwelijk in Nederland en de inschrijving daarvan in de
Gemeentelijke basisadministratie geen voorwaarden waaraan voldaan moet
zijn voordat het huwelijk als huwelijk in de zin van de Anw aangemerkt
kan worden.
Nu in de Anw aan de wijze waarop aan het huwelijk invulling wordt of kan
worden gegeven geen voorwaarden zijn gesteld speelt het feit dat
appellant geen gezamenlijke huishouding kon voeren met zijn echtgenote
geen rol bij de bepaling of sprake is van een huwelijk in de zin van de
Anw.
Wat betreft appellants betoog met betrekking tot gedaagdes brief van 25
oktober 2000 merkt de Raad op dat de in die brief gestelde vraag
relevant kan zijn in de situatie dat appellant reeds voor zijn huwelijk
een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor er reeds op een eerder
tijdstip dan de huwelijkssluiting een grond voor beëindiging van de
Anw-uitkering zou hebben bestaan.
Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Anw is gedaagde gehouden een
besluit tot toekenning van nabestaandenuitkering in te trekken of te
herzien, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie
van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet
plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23909, nr. 3). In de Memorie van Antwoord
aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel
wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak
inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan
tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering
had (EK, 1995-1996, 23909, nr. 114b).
Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad is van oordeel dat deze
beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of ongeschreven
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke
bepalingen, het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
De Raad is van oordeel dat appellant niet al zijn verplichtingen jegens
gedaagde is nagekomen door de wijziging in zijn situatie, in casu het
sluiten van zijn huwelijk op 2 maart 2000, niet aan gedaagde te melden.
Gedaagde heeft dan ook met recht geoordeeld dat er in het onderhavige
geval -ook in zijn beleid- geen redenen zijn om van herziening met
terugwerkende kracht van appellants recht op Anw-uitkering met ingang
van 1 april 2003 af te zien.
Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaar
tegen de terugvordering en de boete is de Raad met gedaagde van oordeel
dat de begeleidende brief van 21 november 2000 gezien de inhoud van dit
schrijven niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat die brief niet is gericht op
enig rechtsgevolg en derhalve geen rechtshandeling bevat. De brief heeft
blijkens de bewoordingen ervan voornamelijk tot doel appellant te
informeren enerzijds over het voornemen van gedaagde om de ten onrechte
betaalde uitkering terug te vorderen alsmede het voornemen om een boete
op te leggen en anderzijds over de hoogte van het bedrag dat volgens
appellant onverschuldigd is betaald en de hoogte van de boete. Voorts
wijzen ook de overige omstandigheden er geenszins op dat appellant het
besluitvormingsproces ten aanzien van de terugvordering en de boete op
21 november 2000 reeds had afgerond. In de brief wordt immers een
voorstel tot een betalingsregeling gedaan aan appellant met als doel om,
na kennisneming van de reactie van appellant, te komen tot een
gecombineerd terug- en invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 53,
vijfde lid, van de Anw. Ook ten aanzien van de boete is appellant eerst
de gelegenheid gegeven te reageren waarbij expliciet is aangegeven dat
daarna het besluit over de boete genomen zal worden.
Voorts constateert de Raad dat het bezwaarschrift van appellant op grond
van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb niet aangemerkt kan worden als
een prematuur bezwaar, nu appellant op grond van de tekst van de brief
van 21 november 2000 redelijkerwijs niet kon menen dat reeds een besluit
over de terugvordering en de boete was genomen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde bij het
bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat appellant ingaande 1
april 2003 niet langer recht had op een nabestaandenuitkering ingevolge
de Anw, zodat die uitkering terecht alsnog met ingang van die datum is
beëindigd en voorts dat gedaagde de bezwaren van appellant tegen de
begeleidende brief van 21 november 2000 terecht niet-ontvankelijk heeft
verklaard, omdat die brief geen besluiten inhoudt in de zin van de Awb.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor toepassing van
artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|