|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/5880 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft, op bij beroepschrift - annex bijlagen - aangevoerde
gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Gravenhage van 4 november 2002, nr. AWB 01/4477 ANW, waarnaar hierbij
zij verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 24 mei 2003 en 2 januari 2004 heeft appellant geïnformeerd
naar de stand van zaken in het geding.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 11 maart 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Naar aanleiding van een aanvraag van appellant om een nabestaanden- en
halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), bij
gedaagde ingekomen op 20 juni 2001, heeft gedaagde aan appellant bij
besluit van 12 juli 2001 genoemde uitkeringen toegekend. Daarbij is
bepaald dat de nabestaandenuitkering vanwege de hoogte van het inkomen
uit arbeid van appellant niet tot uitbetaling komt. De
halfwezenuitkering is toegekend met ingang van juni 2000, derhalve met
een terugwerkende kracht van één jaar.
Appellant heeft bezwaar aangetekend tegen de ingangsdatum van de
halfwezenuitkering. Aangezien zijn echtgenote op 18 april 1999 is
overleden, dient het halfwezenpensioen zijns inziens, in te gaan vanaf
april 1999. Opgemerkt wordt dat de uitkering niet eerder is aangevraagd
omdat appellant niet eerder van het bestaan van deze uitkering op de
hoogte was. Na het overlijden van zijn vrouw had appellant wel andere
dingen aan zijn hoofd, ook emotioneel, dan het aanvragen van een
uitkering. Appellant geeft verder aan dat hij, in het kader van de
toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet, contact heeft gehad met
gedaagde. Appellant vraagt zich af of gedaagde hem toen niet had kunnen
informeren omtrent zijn rechten op grond van de Anw.
Bij besluit van 12 december 2001 heeft gedaagde zijn beslissing van 12
juli 2001 gehandhaafd. Onder verwijzing naar artikel 33, vierde lid, van
de Anw, wordt aangegeven dat gedaagde bevoegd is, in bijzondere
gevallen, van de wettelijk voorgeschreven aanvangsdatum van de
uitkering, één jaar voorafgaand aan de dag waarop de uitkering is
aangevraagd, af te wijken. Het beleid van gedaagde ter zake houdt in dat
onbekendheid met rechten niet zonder meer leidt tot het aannemen van een
bijzonder geval, tenzij blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond
waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van zijn rechten. Hiervan
is in het onderhavige geval, aldus gedaagde, geen sprake. Iedereen weet
dat hij, als zijn echtgenote overlijdt, waarschijnlijk een
uitkeringsrecht geldig kan maken. De invoering van de Anw op 1 juli 1996 en de hoofdlijnen van die wet zijn via de media voldoende
onder de aandacht gebracht. Daarom kan het argument dat de overheid de
taak heeft mensen in appellants situatie voor te lichten over hun recht
op Anw-uitkering niet worden gehonoreerd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft gedaagde zijn in eerdere instanties aangevoerde
grieven in essentie herhaald.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
de rechtbank, in het voetspoor van gedaagde, met recht heeft geoordeeld
dat, aangezien er geen sprake was van een bijzonder geval, gedaagde niet
bevoegd was appellants recht op halfwezenuitkering eerder te doen ingaan
dan één jaar vóór de datum van aanvraag.
De Raad oordeelt als volgt.
Ook naar het oordeel van de Raad vindt de late aanvraag van appellant
haar grond in de onbekendheid van appellant met zijn rechten op grond
van de Anw, welke onbekendheid in het onderhavige geval niet
verschoonbaar kan worden geacht.
In dat verband merkt de Raad primair op dat een inlichtingenverplichting
zijdens gedaagde als door appellant gesteld geen steun vindt in het
recht. Daarnaast merkt de Raad op dat de door appellant genoemde
psychische gesteldheid, welke hem zou hebben gehinderd tijdig een
aanvraag in te dienen, door appellant niet met medische gegevens is
onderbouwd.
Ook anderszins kan het door appellant gestelde niet leiden tot het
oordeel dat gedaagde ten onrechte geen bijzonder geval heeft aangenomen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|