|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/5064 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift met bijlagen aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
's-Hertogenbosch onder dagtekening 19 augustus 2002 tussen partijen
gewezen uitspraak (AWB 01/1979 Anw), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 11 maart 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Bij brief van 8 juni 2001 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de
jaaropgave van de door appellante over het jaar 2000 ontvangen uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij besluit op bezwaar van 24 juli 2001 (hierna: het bestreden besluit)
heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen de jaaropgave
(kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft gedaagde
overwogen dat bezwaar slechts mogelijk is tegen een voor bezwaar vatbaar
besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de aan
appellante toegezonden jaaropgave niet als een voor bezwaar vatbaar
besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt.
De rechtbank heeft bij de uitspraak van 19 augustus 2002 het beroep van
appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de
rechtbank overwogen dat de toegezonden jaaropgave niet als een besluit
in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt,
omdat niet kan worden gezegd dat de jaaropgave op enig rechtsgevolg is
gericht. Aangezien ingevolge artikel 8:1, eerste lid, juncto artikel
7:1, eerste lid, van de Awb slechts de mogelijkheid tot bezwaar en
beroep is opengesteld tegen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste
lid, van de Awb, moet volgens de rechtbank worden geoordeeld dat tegen
de toegezonden jaaropgave 2000 geen bezwaar kon worden gemaakt. Derhalve
heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen de jaaropgave naar het
oordeel van de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat na toezending van een
nieuwe jaaropgave 2000 een discrepantie van f 925,27 is blijven bestaan tussen de hoogte van de door haar netto aan
Anw-uitkering ontvangen bedragen en de hoogte van bedragen, welke zij
volgens de jaaropgave 2000 netto zou hebben ontvangen.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
In geschil is het antwoord op de vraag of gedaagde appellante bij het
bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar
bezwaar tegen de jaaropgave 2000.
De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover anders te
oordelen dan de rechtbank. Naar de Raad vaker als zijn opvatting heeft
doen blijken -de Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 27
augustus 1996, gepubliceerd in RSV 1997/19- gaat het bij een jaaropgave,
zoals hier aan de orde, om (het verstrekken van) informatie van
feitelijke aard, waartegen geen voorziening op grond van de Awb
openstaat. Nu het in de Awb voorziene rechtsmiddel van bezwaar, in een
geval als het onderhavige, uitsluitend kan worden aangewend tegen
besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van die wet en in het licht van het
vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat het bezwaar van appellante
tegen de jaaropgave 2000 niet geacht kan worden op een zodanig besluit
betrekking te hebben, heeft gedaagde dat bezwaar terecht en op goede
gronden niet-ontvankelijk verklaard.
Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep
van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad wil overigens, strikt ten overvloede, niet nalaten om op te
merken dat gedaagde er blijkbaar tot op heden niet in is geslaagd om
appellante een adequate uitleg te geven over de op de jaaropgave 2000
vermelde (netto) bedragen. De Raad benadrukt dat appellante belang heeft
bij een juiste opgave met het oog op - bijvoorbeeld - haar
belastingaangifte over het jaar 2000. De Raad meent dat gedaagde haar in
dat opzicht tegemoet zou moeten komen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april
2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|