|
Uitspraak
01/4050 ANW en 02/5816 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de door de rechtbank Leeuwarden op 22 juni 2001 tussen partijen gewezen
uitspraak, reg.nr. 00/1297 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen de door de rechtbank Leeuwarden op 7 oktober 2002 tussen partijen
gewezen uitspraak, reg.nr. 02/56 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
Bij brief van 19 maart 2004 zijn vanwege appellante nog nadere stukken
ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar
appellante in persoon is verschenen met bijstand van mr. B. van Dijk,
kantoorgenoot van mr. Van Asperen, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door F.M. Aalders, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Als van de zijde
van appellante meegebrachte getuige is gehoord [naam getuige], wonende
te [plaatsnaam].
II. MOTIVERING
Appellante ontving een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet, welk pensioen ingaande 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Gedaagde heeft eind 1998 een onderzoek doen instellen in verband met het
vermoeden dat appellante zou samenwonen met [naam getuige] (hierna:
[naam getuige]). Naar aanleiding van dit onderzoek, waarvan de
bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 11 maart 1999, heeft
gedaagde bij besluit van 12 maart 1999 de uitkering van appellante met
ingang van 1 januari 1998 herzien en opnieuw vastgesteld naar een uitkering ter
hoogte van 30% van het brutominimumloon. Bij hetzelfde besluit is van
appellante de over de periode van 1 januari 1998 tot en met februari
1999 teveel betaalde uitkering teruggevorderd.
Bij besluit van 30 november 2000 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 12 maart 1999 voorzover betrekking
hebbend op de herziening van de uitkering ongegrond verklaard, en het
bezwaar tegen de terugvordering gegrond verklaard. Daarbij heeft
gedaagde met betrekking tot de terugvordering overwogen dat bij besluit
van 12 maart 1999 ten onrechte niet is aangegeven op welke wijze zal
worden ingevorderd, en dat alsnog een terug- en invorderingsbesluit zal
worden genomen.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 juni 2001 het tegen het besluit
van 30 november 2000 ingestelde beroep voorzover dat betrekking heeft op
de terugvordering gegrond verklaard, dit besluit in zoverre vernietigd,
gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar
uitspraak en beslissingen gegeven inzake de vergoeding van proceskosten
en griffierecht. Voorzover het beroep betrekking heeft op de herziening
van de uitkering heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Met
betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat
gedaagde in strijd heeft gehandeld met hetgeen in artikel 7:11, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald aangaande de
bezwaarprocedure, door niet de gegrondverklaring van het ingediende
bezwaar gepaard te doen gaan met een herroeping van het besluit van 12
maart 1999 en een nader inhoudelijk terugvorderingbesluit. Met
betrekking tot de herziening was de rechtbank van oordeel dat er op 1
juli 1996 en 31 december 1997 sprake was van een gezamenlijke
huishouding.
Namens appellante is deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd
bestreden voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.
Ter uitvoering van de uitspraak van 22 juni 2001 heeft gedaagde bij
besluit van 6 december 2001 opnieuw op het bezwaar van appellante tegen
het besluit van 12 maart 1999 beslist, voorzover daarbij van appellante
de over de periode van 1 januari 1998 tot en met februari 1999 teveel
betaalde uitkering is teruggevorderd. Daarbij zijn de bezwaren tegen de
terugvordering ongegrond verklaard en is tevens een invorderingsbesluit
genomen.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 oktober 2002 het tegen het
besluit van 6 december 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Ook
deze uitspraak is in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt het volgende.
Herziening van het recht op uitkering met ingang van 1 januari 1998
Het herzieningsbesluit ziet op de toepassing van artikel 67, derde lid,
eerste volzin, van de Anw. Ingevolge deze bepaling moet worden
onderzocht of appellante een persoon is die op 1 juli 1996 en ook nog op
31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde anders dan ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt - voorzover hier van
belang - als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke
huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Naar het oordeel van de Raad bieden de bevindingen van het vanwege
gedaagde ingestelde onderzoek, waarvan in het bijzonder de op 17
februari 1999 door appellante en [naam getuige] afgelegde verklaringen,
voldoende steun voor het standpunt van gedaagde dat appellante en [naam
getuige] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde
woning, te weten in de woning van [naam getuige] te [plaatsnaam],
waarmee is voldaan aan het eerste criterium van het in artikel 3, derde
lid, van de Anw bepaalde. Voorts deelt de Raad het standpunt van
gedaagde dat appellante en [naam getuige] hebben voldaan aan het
criterium van wederzijdse verzorging. In dit verband moet bijzondere
betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat appellante en [naam
getuige] over en weer gemachtigd zijn ten aanzien van elkaars rekeningen
en dat beiden testamenten hebben afgesloten waarbij zij over en weer
elkaar als begunstigde hebben aangewezen. Verder hebben zij verklaard
dat zij samen met de caravan op vakantie gingen, dat zij samen
boodschappen deden, die afwisselend door appellante en [naam getuige]
werden betaald en dat appellante voor hen beiden kookte en waste. De
Raad is niet gebleken dat de verklaringen van appellante en [naam
getuige], zoals zij hebben gesteld, onder ontoelaatbare druk van de
sociaal rechercheurs zijn afgelegd, zodat appellante en [naam getuige]
aan die door hen beiden ondertekende verklaringen moeten worden
gehouden.
Uit het voorgaande volgt dat appellante en [naam getuige] op 1 juli 1996
en 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in
artikel 3, derde lid, van de Anw.
Van het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding met een
hulpbehoevende, zoals gedefineerd in artikel 1, aanhef en onder k en l,
van de Anw, is geen sprake.
Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde gewezen op het Besluit
Beleidsregels SVB 2003 (Stcrt. 2003, nr. 82). In de bijlage bij dat
besluit zijn regels opgenomen met betrekking tot het voeren van een
gezamenlijke huishouding door meer dan twee personen. Gedaagde acht een
meerpersoonshuishouding aanwezig als ten minste een persoon ten opzichte
van ten minste twee andere personen voldoet aan de voorwaarden voor het
voeren van een gezamenlijke huishouding. Is dat het geval dan worden de
betrokkenen volgens deze beleidsregels als ongehuwd aangemerkt. De Raad
ziet geen grond om aan te nemen dat ten tijde hier van belang van een
meerpersoonshuishouden in de zin van deze beleidsregels sprake is
geweest. [naam getuige] heeft twee zoons die hun hoofdverblijf in
dezelfde woning als [naam getuige] en appellante hadden. Tussen [naam
getuige] en deze zonen is sprake van bloedverwantschap in de eerste
graad. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is er
bovendien geen grond om aan te nemen dat ten aanzien van deze zonen werd
voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging.
Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 34, eerste lid,
van de Anw, diende gedaagde de nabestaandenuitkering van appellante
met ingang van 1 januari 1998 te herzien.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw
op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van herziening kon
afzien is de Raad niet gebleken.
De uitspraak van 22 juni 2001 komt derhalve voorzover aangevochten voor
bevestiging in aanmerking.
De terugvordering over de periode van 1 januari 1998 tot en met februari
1999 en de invordering
De Raad stelt allereerst - ambtshalve - vast dat, gelet op de artikelen
6:18 en 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb, niet de rechtbank
maar de Raad bevoegd is te beslissen op het beroep tegen het besluit van
6 december 2001 waarbij gedaagde ter uitvoering van de uitspraak van 22
juni 2001 opnieuw heeft beslist op het bezwaar tegen de terugvordering.
De uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2002 is daarom
onbevoegdelijk gedaan, zodat de Raad deze zal vernietigen.
Bij het besluit van 6 december 2001 heeft gedaagde zijn primaire besluit
van 12 maart 1999, voorzover daarbij van appellante de over de periode
van 1 januari 1998 tot en met februari 1999 teveel betaalde uitkering is
teruggevorderd, gehandhaafd en besloten met ingang van 1 januari 2002
maandelijks een bedrag van f 71,-- in te houden op de
nabestaandenuitkering van appellante.
Met betrekking tot de terugvordering stelt de Raad vast dat voldaan is
aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 53, eerste lid (oud), van
de Anw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de
nabestaandenuitkering van appellante over te gaan. De Raad is niet
gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 53, tweede lid
(oud), van de Anw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel
of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Met betrekking tot de invordering heeft appellante aangevoerd dat zij
het niet eens is met de verrekening van f 71,-- per maand, doch niet is
aangetoond, zoals ook van de kant van appellante ter zitting is
bevestigd, dat door deze inhouding zij niet meer de beschikking heeft
over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475c tot en met 475d van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Raad acht dit ook zelf
niet aannemelijk.
Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 6 december 2001 in rechte
stand houdt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de uitspraak van 22 juni 2001, reg.nr. 00/1297 ANW, voorzover
aangevochten;
Vernietigt de uitspraak van 7 oktober 2002, reg.nr. 02/56 ANW;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht moet worden gericht te zijn
tegen het besluit van 6 december 2001 ongegrond;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde
griffierecht inzake 02/5816 Anw van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
nabestaandenwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt
ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak
vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge
Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|