|
Uitspraak
01/6450 ANW en 01/6451 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft
de Sociale Verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. J. Houben, regiojuriste bij de ABVA/KABO te
Groningen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 1 november 2001
tussen partijen gewezen uitspraak, met reg.nrs. 00/971 ANW en 01/344
ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 2 maart 2004, waar voor
appellante niemand is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 mei 1981 een pensioen ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Vanaf 1 februari 1982 woont appellante samen met haar nieuwe partner B.
[naam partner] (hierna: [naam partner]). Met ingang van 1 oktober 1996
is R. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) bij appellante en [naam
partner] komen inwonen.
Bij besluit van 16 december 1997 heeft gedaagde aan appellante onder
meer het volgende meegedeeld:
"U wordt voor de uitvoering van de Algemene
nabestaandenwet als alleenwonend beschouwd. Uit ons onderzoek is
gebleken dat u met meer dan één persoon van 18 jaar of ouder een
gezamenlijke huishouding voert. U wordt daarom voor de Algemene
nabestaandenwet niet als ongehuwd samenwonend beschouwd. Iemand die een
gezamenlijke huishouding voert met één persoon van 18 jaar of ouder
(niet zijnde een eigen kind) wordt voor de uitvoering van de Algemene
nabestaandenwet als ongehuwd beschouwd. Met ingang van 1 januari 1998
hebt u recht op een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) van f 1.831,76 bruto per maand en een
vakantie-uitkering van f 116,53 bruto per maand."
Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.
Op het inkomstenformulier van oktober 1999 heeft appellante aangegeven
dat [betrokkene] op 16 maart 1999 de woning heeft verlaten en op een
ander adres is gaan wonen.
Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden, voorzover hier van belang,
bij besluit van 27 juni 2000 de nabestaandenuitkering van appellante met
toepassing van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw in
samenhang met artikel 34 van de Anw met ingang van 1 april 1999 in te
trekken. Voorts heeft gedaagde bij afzonderlijk besluit van gelijke
datum geweigerd appellante (kennelijk eveneens) met ingang van 1 april
1999 een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat appellante geen
gezamenlijke huishouding is gaan voeren ten behoeve van de verzorging
van een hulpbehoevende.
De tegen de besluiten van 27 juni 2000 gemaakte bezwaren zijn bij
besluit van 23 februari 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is wat de
intrekking betreft, kort gezegd, overwogen dat de samenwoning met [naam
partner] tot 1 januari 1998 geen consequenties had voor het recht van
appellante op een nabestaandenuitkering, dat dit evenzeer gold voor de
periode vanaf 1 januari 1998 omdat appellante met [naam partner] en
[betrokkene] een zogeheten meerpersoonshuishouden voerde en dat dit pas
veranderde door het vertrek van [betrokkene] in maart 1999. De
Tijdelijke regeling reparaties overgangsrecht Anw was volgens gedaagde
niet op appellante van toepassing, zodat zij geen aanspraak kon maken op
een nabestaandenuitkering ter hoogte van 30% van het brutominimumloon.
Wat de weigering van de nabestaandenuitkering betreft heeft gedaagde
zich, overeenkomstig een bij de ZVN ingewonnen advies van 15 juni 2000,
op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een verzorgingsrelatie
tussen appellante en [naam partner] aangezien zij in 1982 niet zijn gaan
samenwonen met het doel om één van de partners te verzorgen en de
hulpbehoevendheid van appellante eerst in 1997 is ontstaan.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 23 februari 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van
de rechtbank gekeerd.
De Raad neemt bij zijn oordeelsvorming als uitgangspunt dat gedaagde bij
het besluit van 16 december 1997 (welk besluit in rechte onaantastbaar
is geworden) appellante als ongehuwd niet-samenwonend heeft aangemerkt
en haar om die reden ook vanaf 1 januari 1998 een ongekorte
nabestaandenuitkering heeft verleend.
Dit betekent dat, nu onbetwist vaststaat dat appellante en [naam
partner] na het vertrek van [betrokkene] in maart 1999 een gezamenlijke
huishouding voerden, (de omvang van) het recht op nabestaandenuitkering
van appellante op dat tijdstip opnieuw diende te worden beoordeeld.
De Raad is, gelet op het voorgaande, met gedaagde en de rechtbank van
oordeel dat appellante op 1 april 1999 niet voldeed aan de in het
overgangsrecht Anw - meer in het bijzonder artikel 67, eerste en derde
lid, van de Anw - neergelegde voorwaarden om voor een
nabestaandenuitkering ter hoogte van 30% van het brutominimumloon in
aanmerking te komen. Gedaagde heeft de nabestaandenuitkering dan ook
terecht wegens het voeren van een gezamenlijk huishouding ingetrokken.
Voorzover het hoger beroep ziet op de intrekking van de
nabestaandenuitkering per 1 april 1999 kan dit dan ook niet slagen.
Wat de weigering van de nabestaandenuitkering betreft overweegt de Raad
het volgende.
Gedaagde is er bij het weigeringsbesluit, kennelijk anders dan bij het
intrekkingsbesluit, van uitgegaan dat appellante sedert 1982
onafgebroken een gezamenlijke huishouding in de zin van (thans) artikel
3 van de Anw heeft gevoerd. Gelet op het vorenstaande kan gedaagde
daarin niet worden gevolgd. Nu gedaagde appellante, gedurende de periode
dat [betrokkene] bij haar inwoonde, als ongehuwd niet-samenwonend heeft
aangemerkt, vloeit daaruit immers voort dat de gezamenlijke huishouding
in de opvatting van gedaagde tijdelijk onderbroken is geweest. De Raad
neemt daarbij in aanmerking dat ingevolge artikel 3, derde lid, van de
Anw slechts sprake is van een gezamenlijke huishouding indien twee
personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage
in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Gedaagde is er
kennelijk van uitgegaan dat van een dergelijke situatie ten tijde van de
inwoning van [betrokkene] geen sprake (meer) was. Dat zo zijnde heeft
gedaagde, in navolging van de ZVN, een onjuiste maatstaf gehanteerd door
voor de beantwoording van de vraag of de gezamenlijke huishouding is
aangegaan met het doel een van beide partners te verzorgen
respectievelijk op een moment dat reeds van hulpbehoevendheid bij een
van beide partners sprake was de datum 1 februari 1982, en niet 16 maart
1999 dan wel 1 april 1999, als peildatum te nemen.
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het besluit van 23 februari 2001
in zoverre op een onjuiste grondslag berust en wegens strijd met de wet
voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak
waarbij dat onderdeel van het besluit in stand is gelaten. Gedaagde zal
in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep
en € 322,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond voorzover dit ziet op de weigering om
appellante met ingang van 1 april 1999 voor een (gedeeltelijke)
nabestaandenuitkering in aanmerking te brengen;
Vernietigt het besluit van 23 februari 2001 in zoverre en bepaalt dat
gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 966,--, te betalen door de Sociale Verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank aan appellante het betaalde
griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L. Jörg.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
nabestaandenwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift
van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie
(gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van
Beroep in te zenden.
|
|