|
Uitspraak
02/4067 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11
juli 2002, nr. AWB 01/1582 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 maart 2004, waar
appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Na kennisneming van het door appellant in juni 2001 ingezonden
inkomensopgaveformulier, waaruit bleek dat de hoogte van de aan
appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf 1 januari
2001 f 3.013,25 bruto per maand bedroeg, heeft gedaagde bij besluit van
9 juli 2001 de aan appellant toegekende nabestaandenuitkering ingevolge
de Algemene nabestaandenwet (Anw) met ingang van 1 januari 2001 herzien
en nader vastgesteld op f 763,23 bruto per maand. Tevens heeft gedaagde
bij besluit van 30 augustus 2001 de over het tijdvak van 1 januari 2001
tot 1 juli 2001 te veel betaalde uitkering van f 849,78, van appellant
teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 14 november 2001, hierna:
het bestreden besluit, heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de
herziening en de terugvordering ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard, overwegende dat appellant de wijziging in de hoogte
van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering niet tijdig heeft gemeld aan
gedaagde en dat gedaagde op grond van artikel 34, eerste lid, van de Anw
verplicht is de Anw-uitkering van appellant met terugwerkende kracht te
herzien. Daarbij is tevens overwogen dat niet is gebleken van dringende
redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw op grond
waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van herziening had moeten afzien
en dat gedaagde in overeenstemming met het terzake gevoerde beleid in
redelijkheid heeft kunnen besluiten tot herziening met terugwerkende
kracht. Ten aanzien van de terugvordering heeft de rechtbank overwogen
dat gedaagde op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw verplicht
is de teveel betaalde uitkering terug te vorderen en dat gedaagde in
redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit niet van terugvordering
af te zien, omdat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in
het tweede lid van dit artikel.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij nog steeds geen
specificatie van gedaagde heeft ontvangen en daarom niet akkoord kan
gaan met het bestreden besluit.
De Raad kan zich geheel verenigen met het hiervoor weergegeven oordeel
van de rechtbank en maakt dat tot het zijne. Hetgeen door appellant in
hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel
kunnen brengen. Daarbij merkt de Raad nog op dat gedaagde bij de
gedingstukken een berekeningsblad heeft gevoegd waarin de aanspraak van
appellant op een Anw-uitkering vanaf 1 januari 2001 gespecificeerd is
berekend op grond van de nader gebleken hoogte van de aan appellant
toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering. Tevens is daarbij
gespecificeerd welke bedragen per maand over het tijdvak van 1 januari
2001 tot 1 juli 2001 te veel aan appellant zijn betaald.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 april
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|