|
Uitspraak
03/3275 ANW en 03/3347 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], appellant, tevens gedaagde,
hierna: belanghebbende,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde, tevens
appellant, hierna: de Svb.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de
taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens
verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens belanghebbende heeft, mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij
Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op daartoe bij beroepschrift van 3
juli 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank ´s-Hertogenbosch van 16 mei 2003 (verzonden op 27 mei
2003), nr. AWB 02/799 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
De Svb heeft op daartoe bij beroepschrift van 7 juli 2003 aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen vermelde uitspraak van de rechtbank
´s-Hertogenbosch.
Namens belanghebbende heeft mr. In de Braekt, voornoemd, een
verweerschrift ingediend.
De Svb heeft tevens een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 5 maart 2004, waar
voor belanghebbende is verschenen mr. W.H. Beishuizen, tevens werkzaam
bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, terwijl de Svb zich heeft
doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal en mr. drs. M. van
Everdingen, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 30 november 2001 heeft de Svb het recht van
belanghebbende op een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw) met ingang van 1 april 2000 beëindigd. De Svb
heeft besloten tot deze herziening, omdat na onderzoek was gebleken dat
belanghebbende in verband met het voeren van een gezamenlijke
huishouding met [betrokkene] niet voldeed aan de voorwaarden voor deze
uitkering. In een begeleidende brief bij dit besluit, eveneens gedateerd
30 november 2001, heeft de Svb aan belanghebbende medegedeeld dat hij
vanaf voornoemde datum f 13.589,25 te veel aan nabestaandenuitkering
heeft ontvangen en dat de Svb van plan is dit bedrag van hem terug te
vorderen. Verder is daarbij aan belanghebbende medegedeeld dat de Svb
van plan is om aan hem een boete van f 1.375,- op te leggen, omdat hij
de wijziging in zijn woonsituatie niet binnen vier weken heeft
doorgegeven. Aan belanghebbende is daarbij verzocht aan te geven hoe hij
het totaalbedrag van f 14.964,25 (€ 6.790,48) terug wil betalen.
Tevens is aan belanghebbende medegedeeld dat indien zijn reactie niet
binnen zes weken is ontvangen, de Svb aanneemt dat hij akkoord gaat met
het voorstel tot terugvordering en de oplegging van de boete. Daarna
ontvangt belanghebbende een definitieve beslissing over de boete en de
terug- en invordering, waartegen desgewenst bezwaar gemaakt kan worden.
Bij beslissing op bezwaar van 28 februari 2002, hierna: het bestreden
besluit, heeft de Svb het bezwaar van belanghebbende tegen het besluit
van 30 november 2001 ongegrond verklaard, overwegende dat terecht is
besloten de nabestaandenuitkering van belanghebbende met ingang van 1
april 2000 te beëindigen, omdat hij sinds 1 maart 2000 een gezamenlijke
huishouding voert met [betrokkene]. Voorts heeft de Svb het bezwaar van
belanghebbende tegen het voornemen van de Svb, zoals verwoord in de
begeleidende brief van 30 november 2001, een boete op te leggen en het
te veel betaalde bedrag terug te vorderen niet-ontvankelijk verklaard,
aangezien uitsluitend tegen een voor bezwaar vatbaar besluit bezwaar kan
worden gemaakt en deze brief niet als voor bezwaar vatbaar besluit kan
worden aangemerkt. Op 8 maart 2002 heeft de Svb een definitief
boetebesluit en terug- en invorderingsbesluit genomen.
De rechtbank heeft het beroep van 4 april 2002 van belanghebbende
ongegrond verklaard voorzover het gericht is tegen het besluit de
nabestaandenuitkering van belanghebbende met ingang van 1 april 2000 te
beëindigen. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige
geval voldaan aan de twee criteria voor een gezamenlijke huishouding:
een hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging. Daartoe
heeft de rechtbank overwogen dat niet ter discussie staat dat
belanghebbende en [betrokkene] sinds maart 2000 hun feitelijk
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Hoewel in het onderhavige geval
geen sprake is van financiële verstrengeling, is naar het oordeel van
de rechtbank wel sprake van andere feiten en omstandigheden om aan te
nemen dat sprake is van wederzijdse verzorging. Daartoe wijst de
rechtbank erop dat belanghebbende de woonlasten, de gezamenlijke
boodschappen en overige kosten van de huishouding betaalt en
[betrokkene] niet bijdraagt in deze kosten. Als tegenprestatie voor
gratis kost en inwoning verzorgt zij de maaltijden en doet zij al het
huishoudelijk werk. Voorts noemt de rechtbank dat [betrokkene] ook op de
kleinkinderen van belanghebbende past en hem verzorgt als hij ziek is.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 december 1999,
gepubliceerd in RSV 2000/29, is de rechtbank van oordeel dat het binnen
de grenzen van een redelijke beleidstoepassing valt dat volgens de Svb
sprake is van een commerciële relatie als voor de te leveren prestaties
een prijs is bedongen en betaald. Daarbij mag de Svb verlangen dat de
commerciële relatie aan de hand van een schriftelijke overeenkomst,
waarin de prestaties over en weer zijn omschreven, en aan de hand van
betalingsbewijzen, wordt aangetoond.
Verder heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond
verklaard, voorzover het is gericht tegen het besluit hem
niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaren tegen de boete en
terugvordering, zoals verwoord in de begeleidende brief van 30 november
2001. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 30 november
2001 onmiskenbaar een ondubbelzinnige mededeling bevat met betrekking
tot een beslissing van de Svb omtrent de hoogte van de boete en de
hoogte van de terugvordering van de te veel betaalde uitkering. Deze
brief is volgens de rechtbank gericht op rechtsgevolg en daarom aan te
merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat de
besluitvorming van de Svb over de boete en de terugvordering al was
afgerond toen de begeleidende brief van 30 november 2001 werd verzonden.
Namens belanghebbende is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd
dat tussen belanghebbende en [betrokkene] steeds sprake is geweest van
een commerciële relatie, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor
het voeren van een gezamenlijke huishouding. Derhalve is belanghebbende
van oordeel dat zijn nabestaandenuitkering ten onrechte met ingang van 1
april 2000 is beëindigd.
De Svb heeft in hoger beroep grieven aangevoerd tegen het oordeel van de
rechtbank over de vraag of de begeleidende brief van 30 november 2001
een besluit is in de zin van de Awb. Daarbij heeft de Svb opgemerkt dat
op grond van de artikelen 53, vijfde lid, en 54 van de Anw in beginsel
een gecombineerde terug- en invorderingsbeslissing genomen moet worden.
De begeleidende brief van 30 november 2001 is volgens de Svb slechts een
vooraankondiging van de terugvordering en een eventuele boete, waarbij
een betalingsvoorstel wordt gedaan inzake het te betalen bedrag ten
einde de betrokkene de gelegenheid te bieden daarop te kunnen reageren.
De brief is derhalve slechts een tussenschakel in de
besluitvormingsketen die uiteindelijk resulteert in een gecombineerd
terug- en invorderingsbesluit.
Verder heeft de Svb aangevoerd dat de hoogte van het terug te vorderen
bedrag ten tijde van het verzenden van de vooraankondiging nog niet
vaststond. Daarbij heeft de Svb erop gewezen dat aan de hand van de
eventuele reactie op de vooraankondiging op grond van onder meer artikel
53, vierde lid, van de Anw besloten kan worden geheel of gedeeltelijk af
te zien van terugvordering. De besluitvorming over de terugvordering is
derhalve pas afgerond op het moment dat besloten wordt tot een
gecombineerd terug- en invorderingsbesluit. Ten slotte heeft de Svb nog
opgemerkt dat ook uit de bewoordingen van de vooraankondiging duidelijk
blijkt dat de besluitvorming niet is afgerond, nu daarin uitdrukkelijk
is vermeld dat de Svb van plan is een boete op te leggen en van plan is
een bedrag terug te vorderen. Vermeld is voorts dat over de boete en de
terugvordering nog een besluit volgt waartegen bezwaar gemaakt kan
worden.
Naar aanleiding van hetgeen namens belanghebbende met betrekking tot de
beëindiging van de nabestaandenuitkering ingevolge de Anw naar voren is
gebracht, stelt de Raad vast dat de in hoger beroep van de kant van
belanghebbende aangevoerde bezwaren in essentie een herhaling zijn van
hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd.
De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank terzake
van de beëindiging van de nabestaandenuitkering heeft gedaan. De Raad
is met de rechtbank van oordeel dat de Svb terecht tot beëindiging van
de nabestaandenuitkering van belanghebbende is overgegaan. De Raad
verwijst hierbij naar de overwegingen die de rechtbank aan de
aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, welke overwegingen de
Raad tot de zijne maakt.
Anders dan de rechtbank is de Raad met de Svb van oordeel dat de
begeleidende brief van 30 november 2001 gezien de inhoud van dit
schrijven niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van de
Awb, omdat die brief niet is gericht op enig rechtsgevolg en derhalve
geen rechtshandeling bevat. De brief heeft blijkens de bewoordingen
ervan voornamelijk tot doel belanghebbende te informeren enerzijds over
het voornemen van de Svb om de ten onrechte betaalde uitkering terug te
vorderen en een boete op te leggen. Anderzijds heeft de brief ten doel
belanghebbende te informeren over de hoogte van het bedrag dat volgens
de Svb onverschuldigd aan uitkering is betaald en de hoogte van de
boete. Voorts wijzen ook de overige omstandigheden er geenszins op dat
de Svb het besluitvormingsproces ten aanzien van de terugvordering en de
boete op 30 november 2001 reeds had afgerond. In de brief wordt immers een
voorstel tot een betalingsregeling gedaan aan belanghebbende met als
doel om, na kennisneming van de reactie van belanghebbende, te komen tot
een gecombineerd terug- en invorderingsbesluit als bedoeld in artikel
53, vijfde lid, van de Anw en een definitief boetebesluit. Verder heeft
de Svb er terecht op gewezen dat de reactie van belanghebbende
aanleiding zou kunnen geven om op grond van het vierde lid van artikel
53 van de Anw geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering.
Tevens zou de reactie van belanghebbende de Svb aanleiding kunnen geven
om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van een boete af te zien.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de Svb bij het
bestreden besluit de bezwaren van belanghebbende tegen de begeleidende
brief van 30 november 2001 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard,
omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb.
Voorts constateert de Raad dat het bezwaarschrift van belanghebbende op
grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb niet aangemerkt kan
worden als een prematuur bezwaar, nu belanghebbende op grond van de
tekst van de brief van 30 november 2001 redelijkerwijs niet kon menen
dat reeds een besluit over de terugvordering en de boete tot stand was
gekomen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van de Svb
slaagt. Het beroep van belanghebbende slaagt niet. Derhalve komt de
aangevallen uitspraak behoudens voorzover daarbij het beroep van
belanghebbende gegrond is verklaard, het bestreden besluit is
vernietigd, de Svb is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende
in eerste aanleg en is bepaald dat de Svb het in eerste aanleg betaalde
griffierecht dient te vergoeden, voor bevestiging in aanmerking. Het
inleidend beroep dient in zoverre ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep van
belanghebbende gegrond is verklaard, het bestreden besluit is
vernietigd, de Svb is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende
in eerste aanleg en is bepaald dat de Svb het in eerste aanleg betaalde
griffierecht dient te vergoeden;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde
toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, tweede tot
en met zesde lid, 6, 7 en 13 van die wet en op die artikelen berustende
bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der
uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de
Centrale Raad van Beroep in te zenden.
|
|