|
Uitspraak
01/4312 ANW en 02/1619 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij L.A.R.
Rechtsbijstand te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen door de rechtbank Breda op
respectievelijk 22 juni 2001 en 29 januari 2002 tussen partijen gewezen
uitspraken, reg.nrs. 00/1515ANW en 01/1257 ANW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 april 2004, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Labordus, en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, vestiging Breda.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 januari 1997 een uitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw). Op een op 28 april 1999 ingevuld en
ondertekend inkomstenformulier heeft appellante vermeld dat haar broer,
[dhr. V.], sinds enige tijd bij haar inwoont.
Bij besluit van 9 december 1999 heeft gedaagde het recht op de
nabestaandenuitkering van appellante herzien (lees: ingetrokken) op de
grond dat zij vanaf 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding met haar
broer voert.
Gedaagde heeft het tegen het besluit van 9 december 1999 gemaakte
bezwaar bij besluit van 31 juli 2000 gegrond verklaard in die zin dat de
nabestaandenuitkering eerst met ingang van 1 juni 1997 wordt
ingetrokken.
Bij besluit van 9 augustus 2000 heeft gedaagde het op 27 maart 2000
ingediende verzoek van appellante, om haar met ingang van 1 januari 2000
wederom een nabestaandenuitkering te verlenen, afgewezen. Dit besluit is
gebaseerd op de grond dat appellante geacht wordt - onveranderd - een
gezamenlijke huishouding te voeren met haar broer.
Bij besluit van 16 oktober 2000 heeft gedaagde de over de periode van 1
juni 1997 tot en met 30 november 1999 aan appellante verleende uitkering
tot een bedrag van f 27.762,31 van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 8 maart 2001 heeft gedaagde ter correctie op het besluit
van 16 oktober 2000 bepaald dat een bedrag van f 42.832,92 van appellante wordt teruggevorderd en dat hierop een
nabetaling van de alsnog toegekende halfwezenuitkering ten behoeve van
haar kinderen in mindering wordt gebracht, zodat een terug te vorderen
bedrag resteert van f 27.762,31. Tevens is hierbij bepaald dat dit
bedrag ingaande januari 2000 in maandelijkse termijnen van f 2.314,--
wordt terugbetaald.
Gedaagde heeft de tegen de besluiten van 9 augustus 2000 en 8 maart 2001
gemaakte bezwaren bij besluit van 13 juni 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de besluiten
van 31 juli 2000 en 13 juni 2001 ingestelde beroepen ongegrond
verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd. Zij
heeft als belangrijkste grief aangevoerd dat er ten tijde in geding geen
sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding met
haar broer.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De intrekking van het recht op uitkering
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt in deze wet als gehuwd
of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een
andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert,
tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het
derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake,
indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij
blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, wil er sprake zijn van
een gezamenlijke huishouding, is dat van het hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat daarvan
in het geval van appellante en haar broer sedert mei 1997 sprake was.
Aan het eerste criterium is in casu dan ook voldaan.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse
verzorging. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan deze blijken uit een
bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die
verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee
samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanig financiële
verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook
andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de
betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten
aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van
subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de
vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
Vaststaat dat de broer van appellante ten tijde in geding maandelijks f
300,-- aan appellante betaalde voor kost en inwoning. Voorts is de Raad
gebleken dat de broer van appellante de zolderetage van de woning in
gebruik had en dat de in de woning aanwezige voorzieningen en het
meubilair, met uitzondering van elkaars slaapkamers, gemeenschappelijk
werden gebruikt. Verder staat vast dat appellante voor haar broer kookte
en waste, dat haar broer wel eens op haar kinderen paste en dat
appellante gemachtigde was van de bankrekening van haar broer. De Raad
acht met de bovenstaande omstandigheden, waaruit een beeld van financiële
verstrengeling en wederzijdse zorg voor elkaar naar voren komt,
voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde in geding tevens aan het
criterium van wederzijdse zorg was voldaan. Dat de broer van appellante
in verband met zijn werkzaamheden gedurende kortere periodes in het
buitenland zou verblijven doet aan het voorgaande niet af.
De door appellante gestelde commerciële relatie acht de Raad niet
aannemelijk geworden. Daarbij is, naast hetgeen hiervoor is weergegeven
over het gezamenlijk gebruik van de woning van appellante, van belang
dat de afspraken over het verlenen aan de broer van appellante van kost,
inwoning en zorg door appellante alsmede de daarvoor bedongen prijs ten
tijde hier in geding niet in een contract waren vastgelegd. De daarvoor
door de broer van appellante betaalde prijs van f 300,-- per maand kan tevens niet worden beschouwd als een reële
zakelijke vergoeding. Een en ander betekent dat de maandelijkse bijdrage
van de broer van appellante moet worden gekwalificeerd als een bijdrage
in de kosten van de huishouding.
Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde
terecht heeft geconcludeerd dat sedert mei 1997 tussen appellante en
haar broer sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in
artikel 3, derde lid, van de Anw. Gelet hierop eindigde ingevolge
artikel 16, tweede lid, van de Anw het recht van appellante op een
Anw-uitkering met ingang van 1 juni 1997, zijnde de eerste dag van de
maand volgend op die waarin zij een gezamenlijke huishouding is gaan
voeren.
De Raad kan voorts op grond van de voorhanden gegevens tot geen andere
conclusie komen dan dat appellante gedaagde eerst op 28 april 1999 op de
hoogte heeft gebracht van het feit dat haar broer bij haar inwoonde.
Daarmee heeft zij niet voldaan aan de ingevolge artikel 35 van de Anw op
haar rustende inlichtingenverplichting.
Gedaagde heeft de nabestaandenuitkering van appellante derhalve terecht,
met toepassing van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Anw,
met ingang van 1 juni 1997 ingetrokken.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw,
op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van intrekking kon
afzien, is de Raad niet gebleken.
De terugvordering
Nu appellante geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd tegen de
omvang en de hoogte van de terugvordering volstaat de Raad met de
conclusie dat met betrekking tot de periode van 1 juni 1997 tot en met
30 november 1999 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op
grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw. Niet gebleken is van het
bestaan van dringende redenen ingevolge artikel 53, vierde lid, van de
Anw op grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
De afwijzing van de aanvraag van 27 maart 2000
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen ligt het, indien op een
eerdere aanvraag afwijzend is beslist dan wel een lopende uitkering is
beëindigd, in geval van een soortgelijke aanvraag, gericht op het
verkrijgen van een periodieke uitkering met ingang van een later gelegen
datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van
een wijziging van de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet
aan de vereisten om voor uitkering in aanmerking te komen.
De Raad is van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat zich
sedert 1 januari 2000 een relevante wijziging heeft voorgedaan in de
omstandigheden waaronder haar broer bij haar inwoonde. Hierbij overweegt
de Raad dat de kostgangersovereenkomst van 1 januari 2000, waarin is
vastgelegd dat de broer van appellante als kostganger bij haar inwoont
tegen een kostprijs van f 300,-- onvoldoende aanknopingspunten biedt
voor de conclusie dat de relatie tussen appellante en haar broer ten
tijde in geding zodanig is gewijzigd dat er sprake is van een louter
commerciële relatie. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank
dat de betreffende schriftelijke overeenkomst niet meer en niet minder
is dan een formalisering van de tussen appellante en haar broer reeds
sedert 1 juni 1997 bestaande relatie en dus geen wezenlijke wijziging in
de feitelijke situatie teweeg heeft gebracht.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraken voor
bevestiging in aanmerking komen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. A.W.M. Bijloos, als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.W.H. Peeters.
Tegen de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de
Algemene nabestaandenwet kan ieder der partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen
inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep
wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de
uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht
aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te
zenden.
|
|