|
Uitspraak
03/4579 ANW (Rectificatie)
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de rechtbank Amsterdam op 15 augustus 2003 tussen partijen gewezen
uitspraak, nummer AWB 03/1719 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad gehouden op 4 juni 2004, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 3 januari 2000 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
dat zij geen recht heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) omdat haar echtgenoot op de datum van
zijn overlijden niet verzekerd was voor de Anw. Bij het besluit van 15
december 2000 is dat besluit na bezwaar gehandhaafd. Bij uitspraak van 8
augustus 2001 heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit
van 15 december 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit
vernietigd en aan gedaagde opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen
op het bezwaarschrift.
Bij beslissing op bezwaar van 20 februari 2003 - het thans bestreden
besluit - heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Bij faxbericht van 11 april 2003 heeft mr. Türkkol, voornoemd, namens
appellante beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 20
februari 2003. Ter zitting van de rechtbank heeft mr. Türkkol verklaard
dat de beslissing op bezwaar van 20 februari 2003 door gedaagde naar appellante in Turkije is verzonden
per niet-aangetekende post. Direct na ontvangst van het besluit,
waarschijnlijk na 21 februari 2003, heeft appellante het besluit aan de
gemachtigde gezonden die vervolgens de dag na de ontvangst per fax
beroep bij de rechtbank heeft ingediend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellante niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft de rechtbank
overwogen dat het beroepschrift te laat is ingediend en dat niet is
gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit verzuim
verontschuldigbaar moet worden geacht.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 20
februari 2003 door gedaagde niet aangetekend aan appellante is verzonden
en dat het feit dat appellante niet kan aantonen wanneer zij het besluit
heeft ontvangen haar niet kan worden tegengeworpen.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de
termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 3:41, eerste
lid, van de Awb vangt de beroepstermijn aan op de dag na die waarop het
besluit is verzonden dan wel uitgereikt.
In het onderhavige geval heeft de verzending van het besluit van 20
februari 2003 per niet-aangetekende post plaatsgevonden. Volgens vaste
jurisprudentie van de Raad komt bij niet-aangetekende verzending of
verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet
kunnen aantonen dat het besluit daadwerkelijk (op de desbetreffende dag)
is verzonden voor rekening van de afzender. Daarbij wordt echter niet
uitgesloten dat langs andere weg wordt aangetoond dat aan de wettelijke
voorwaarden voor het aanvangen van de termijn is voldaan.
Nu de verzending van het besluit niet door gedaagde is aangetoond, is
niet met zekerheid vast te stellen op welke datum de beroepstermijn is
aangevangen. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de Raad niet ten
nadele van appellante uitwerken in die zin dat haar beroep vanwege
termijnoverschrijding niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Omdat de rechtbank
zich niet heeft uitgelaten over de inhoudelijke aspecten van de zaak,
wijst de Raad deze met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Beroepswet terug naar de rechtbank Amsterdam.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger
beroep. De kosten worden begroot op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,- te betalen door de Sociale
verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellante betaalde
griffierecht ad € 87,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|