|
Uitspraak
02/833 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Amsterdam van 11 december 2001, nummer AWB 00/3103 ANW, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 2004, waar
appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen
mr. A. van Aalst, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
In verband met het overlijden van zijn echtgenote op 23 december 1999
heeft appellant in februari 2000 bij gedaagde een aanvraag voor een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)
ingediend. Hij heeft daarbij aangegeven een uitkering naar de norm voor
gehuwden op grond van de Algemene Bijstandswet te hebben ontvangen.
Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende telefoonnotitie is
appellants bijstandsuitkering met ingang van februari 2000 geschorst.
Bij besluit van 28 februari 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van december 1999 een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw toegekend.
In een begeleidend schrijven van (eveneens) 28 februari 2000 is een
specificatie van de uitkering opgenomen en is aan appellant medegedeeld
dat de uitkering over de maanden december 1999 en januari 2000
gereserveerd is voor verrekening met de Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD).
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van zijn
uitkering over genoemde twee maanden en heeft betaling van deze
uitkering plus de daarover verschuldigde wettelijke rente gevorderd.
Bij het bestreden besluit van 24 juli 2000 heeft gedaagde appellants
bezwaar niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat het (niet)
uitbetalen van een uitkering geen besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) is doch slechts een feitelijke handeling, die niet
vatbaar is voor bezwaar. In een brief van (eveneens) 24 juli 2000 heeft
gedaagde appellant medegedeeld dat aan hem geen wettelijke rente zal
worden betaald. Inmiddels was de uitkering over de maanden december 1999
en januari 2000 in juni 2000 aan appellant uitbetaald.
De rechtbank heeft appellants beroep (voorzover hier van belang)
ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat er een
rechtsmiddel open moet staan als een bestuursorgaan geen uitvoering
geeft aan de toekenning van een uitkering en dat hem wettelijke rente in
verband met te late betaling toekomt.
Gedaagdes gemachtigde heeft zich ter zitting van de Raad nader op het
standpunt gesteld dat de weigering de uitkering over de maanden december
1999 en januari 2000 uit te betalen een besluit in de zin van de Awb is
en dat er geen rechtsgrond voor dat besluit was nu er geen
terugvordering van bijstand door de GSD had plaatsgevonden. Punt van
geschil is derhalve nog slechts de vergoeding van rente over de te late
betaling van de uitkering over meergenoemde twee maanden.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, kan een betrokkene slechts
aanspraak maken op wettelijke rente over het bedrag aan sociale
uitkeringen waarover hij ten onrechte niet heeft beschikt, te weten het
verschil tussen de uitkeringen die hij heeft genoten en die welke hij
had behoren te genieten. Hierbij is naar het oordeel van de Raad niet
van belang of feitelijk verrekening van die uitkeringen plaatsvindt.
Door gedaagdes gemachtigde is ter zitting van de Raad toegelicht en door
appellant is bevestigd, dat de uitkering die appellant over de maanden
december 1999 en januari 2000 heeft ontvangen, namelijk bijstand naar de
norm van een gehuwde, hoger is dan de nabestaandenuitkering ingevolge de
Anw die hem toekwam. De Raad stelt derhalve vast dat er geen bedrag
resteert waarover appellant ten onrechte niet heeft kunnen beschikken.
Hem komt dus geen wettelijke rente over enig bedrag toe.
Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen
uitspraak dient te worden vernietigd voorzover daarbij het beroep tegen
het besluit van 24 juli 2000 ongegrond is verklaard. Dat besluit moet - onder gegrondverklaring van het beroep
- worden vernietigd. De
Raad ziet voorts aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde
lid, van de Awb, het primaire besluit van 28 februari 2000 te
vernietigen voorzover daarbij is besloten de uitkering over de maanden
december 1999 en januari 2000 niet uit te betalen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze
kosten worden begroot op € 3,36 aan reiskosten in eerste aanleg en €
13,64 aan reiskosten in hoger beroep, tezamen € 16,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen
het besluit van 24 juli 2000 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2000 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Vernietigt het (primaire) besluit van 28 februari 2000 voorzover daarbij
is besloten de uitkering over de maanden december 1999 en januari 2000
niet uit te betalen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 16,- te betalen door de
Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde recht
van € 109,23 vergoedt;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|