|
Uitspraak
02/3832 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. R.J. Michielsen, advocaat te Hoogvliet, op
daartoe bij beroepschrift - met bijlagen - aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7
juni 2002, nr. ANW 01/2522-KNOO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juni 2004, waar
appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Michielsen,
voornoemd, en waar gedaagde - met kennisgeving - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1946, is op 25 februari 1965 gehuwd met [naam
echtgenoot], geboren [in] 1944. Bij beschikking van de rechtbank
Rotterdam van 27 juli 1998 is de echtscheiding tussen appellante en haar
echtgenoot uitgesproken welke beschikking kennelijk op 19 maart 1999 is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In deze
beschikking van 27 juli 1998 is aan [naam echtgenoot] geen verplichting
tot betaling van alimentatie aan appellante en/of ten behoeve van de
kinderen opgelegd. Wel heeft hij sedert de echtscheiding vrijwillig
vrijwel iedere maand bedragen van f 100,- of meer aan appellante
overgemaakt.
[naam echtgenoot] is op 8 november 2000 overleden. Appellante heeft
vervolgens aan gedaagde verzocht haar een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toe te kennen. Bij zijn in
bezwaar gehandhaafde besluit van 2 april 2001 heeft gedaagde afwijzend
op dit verzoek beslist. Daarbij is overwogen dat appellante op grond van
artikel 4 van de Anw niet als nabestaande ingevolge die wet aangemerkt
kan worden, omdat [naam echtgenoot] niet verplicht was krachtens
rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd in een notariële
akte of een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te
verschaffen aan appellante.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard
overwegende dat appellante niet als nabestaande in de zin van artikel 4
van de Anw aangemerkt kan worden, nu geen gegevens overgelegd zijn
waaruit een alimentatieverplichting van [naam echtgenoot] jegens
appellante zou kunnen blijken.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat artikel 4 van de Anw
in haar geval ruimer opgevat dient te worden, omdat duidelijk is dat in
haar geval sprake is van een financiële band tussen haar en haar
ex-echtgenoot in die zin dat de ex-echtgenoot een onderhoudsbijdrage
leverde en omdat anders een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op de
partijautonomie om rechten en verplichtingen vast te leggen zoals het
hun goed dunkt.
De Raad overweegt het volgende.
Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Raad voorop dat, naar
van de zijde van appellante niet is bestreden, zij niet als nabestaande
in de zin van artikel 1, onder e, in verbinding met artikel 3, van de
Anw, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het overlijden van [naam
echtgenoot], kan worden aangemerkt. Een aanspraak op
nabestaandenuitkering zou appellante slechts kunnen ontlenen aan artikel
4 van de wet,
dat bepaalt dat onder nabestaande mede wordt verstaan de gewezen
echtgenote van een overleden verzekerde, indien:
a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden
verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst,
vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een
advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op
grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht
op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats
zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet voldoet aan de
voorwaarden om op grond van deze bepaling als nabestaande aangemerkt te
worden, omdat haar ex-echtgenoot jegens haar niet alimentatieplichtig
was op grond van een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst als
hiervoor omschreven. Appellante is echter van oordeel dat deze bepaling
in haar geval buiten toepassing dient te blijven, omdat wel sprake was
van een financiële band tussen haar en haar ex-echtgenoot.
Onder verwijzing naar het Harmonisatiewetarrest (HR 14 april 1989, AB
1989, 207) is de Raad van oordeel dat het hem niet is toegestaan om de
Anw te toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Dat er sprake zou zijn van
door de wetgever niet gewenste en onbedoelde effecten van de regeling,
welke mogelijkerwijs in dit geval aan onverkorte wetstoepassing in de
weg zouden staan, is de Raad niet gebleken.
De Raad overweegt daartoe, dat de “pseudoweduwe”, zoals een persoon
in de positie van appellante doorgaans wordt aangeduid, slechts bij wege
van gelijkstelling ingevolge artikel 4 van de Anw als nabestaande kan
worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor die
gelijkstelling slechts dan voldoende grondslag aanwezig geacht, indien
er ten tijde van het overlijden sprake was van economische
afhankelijkheid, tot uitdrukking komend in een financiële band tussen
de overledene en de ex-echtgenoot welke was vastgelegd in een uitspraak
of akte als in de wet omschreven. Uit de wetsgeschiedenis blijkt tevens
dat de wetgever zich ervan bewust is geweest dat bij de regeling voor
pseudo-weduwen het behoefteprincipe wordt vermengd met het principe van
inkomensderving. De aanvullende eis van de inkomensderving was in de
ogen van de wetgever de enige manier om voor deze groep nabestaanden een
rechtvaardige regeling tot stand te brengen, welke wat de hoogte van het
toe te kennen pensioen voor deze groep nader is uitgewerkt in artikel
17, derde lid, van de Anw.
Ook overigens heeft de Raad in het betoog namens appellante geen
grondslag gevonden voor een toetsing van artikel 4 van de Anw aan enige
daarmee strijdige rechtsnorm.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|