|
Uitspraak
02/932 ANW en 02/933 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 2, 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, op
bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 5 december 2001 tussen
partijen gewezen uitspraak met reg.nrs. 01/419 en 01/420, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar mr. Van
Diepen voor appellante is verschenen en gedaagde zich met voorafgaand
bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellante ontving sinds 1 december 1977 een pensioen op grond van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke vanaf 1 juli 1996 is omgezet in een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding
van de mededeling van appellante op 12 november 1999 dat zij op 15
november 1999 in het huwelijk treedt met [partner] ([partner]) en na het kerkelijk huwelijk met hem gaat
samenwonen, is gedaagde gebleken dat zij al op 5 oktober 1998 op het
inkomstenopgaveformulier betreffende de maand september 1998 heeft
vermeld dat [partner] sinds 11 september 1998 op haar adres woont. In
verband hiermee heeft gedaagde de nabestaandenuitkering met ingang van
november 1999 in afwachting van het onderzoek naar het recht op
uitkering geschorst. Uit het ter zake ingestelde onderzoek, waarbij op
25 januari 2000 met appellante en [partner] is gesproken, is onder meer
naar voren gekomen dat aan [partner] op 19 mei 1999 met ingang van 1
april 1999 een vergunning tot verblijf is verleend onder de beperking
verblijf bij partner [appellante]. Betrokkenen hebben tegenover gedaagde
verklaard dat zij vóór 25 november 1999 niet hebben samengewoond.
Bij besluit van 4 juli 2000 heeft gedaagde het recht op
nabestaandenuitkering van appellante beëindigd (lees: ingetrokken) met
ingang van 1 oktober 1998. Voorts heeft gedaagde meegedeeld dat een
bedrag van f 12.667,66 te veel aan haar is uitbetaald en dat dit wordt
teruggevorderd. Zoals blijkt uit de begeleidende brief van 4 juli 2000
wordt aan appellante eerst een voorstel gedaan over de terugbetaling van
de te veel ontvangen uitkering en wordt pas daarna een besluit genomen
over de terugvordering en de wijze van terugbetaling. Vervolgens heeft
gedaagde bij besluit van 23 augustus 2000 de te veel betaalde
nabestaandenuitkering deels verrekend met de halfwezenuitkering van
appellante en het resterende bedrag van f 11.834,90 van appellante
teruggevorderd met toepassing van artikel 53 van de Anw.
Bij besluit van 19 december 2000 (besluit I) heeft gedaagde het namens
appellante tegen de intrekking van haar uitkering gemaakte bezwaar
ongegrond verklaard. Bij besluit van dezelfde datum (besluit II) heeft
gedaagde het namens appellante tegen de terugvordering gemaakte bezwaar
ongegrond verklaard en de tegen de invordering van het te veel betaalde
bedrag gemaakte bezwaren gegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen die namens appellante zijn ingesteld
tegen de besluiten I en II ongegrond verklaard.
In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellante
gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad kan appellante niet volgen in haar opvatting dat het besluit van
4 juli 2000 mede een besluit over de terugvordering omvat en dat het
besluit van 23 augustus 2000 slechts betrekking heeft op de invordering.
Gezien de inhoud van genoemde besluiten en de begeleidende brief van 4
juli 2000, en in het bijzonder gelet op de aan die besluiten ten
grondslag gelegde wettelijke bepalingen, is de Raad van oordeel dat het
besluit van 4 juli 2000 naast de intrekking van het recht op uitkering slechts een
aankondiging van de terugvordering van de te veel betaalde
nabestaandenuitkering inhoudt, en dat het besluit van 23 augustus 2000
een beslissing behelst met betrekking tot zowel de terug- als de
invordering van de te veel betaalde nabestaandenuitkering. Om die reden
verwerpt de Raad de grief van appellante dat gedaagde over het bezwaar
tegen de terugvordering ten onrechte in besluit II heeft beslist in
plaats van in besluit I.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw,
voorzover hier van belang, eindigt het recht op nabestaandenuitkering
indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Gelet op
artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw is gedaagde
verplicht het besluit tot toekenning van een uitkering in te trekken
indien de uitkering ten onrechte is verleend.
Aan de intrekking van de nabestaandenuitkering van appellante met ingang
van 1 oktober 1998 ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat
appellante met ingang van 11 september 1998 een gezamenlijke huishouding
met [partner] is gaan voeren, omdat hij vanaf die datum zijn
hoofdverblijf had in haar woning en sprake was van een registratie als
gemeenschappelijke huishouding in de zin van de Vreemdelingenwet.
Gedaagde heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 3, vierde lid,
aanhef en onder d, van de Anw waarin is bepaald dat een gezamenlijke
huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de betrokkenen
hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding.
In artikel 2 van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998 (Stb. 1997, 790; het Besluit) is, voorzover hier van belang, bepaald dat
dit besluit van toepassing is op registraties in de zin van artikel 3,
vierde lid, van de Anw. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, sub
2, van het Besluit is bepaald dat als registraties als bedoeld in
artikel 2 worden aangewezen de registratie als gemeenschappelijke
huishouding op grond van een verblijfsrecht ingevolge de
Vreemdelingenwet voor verblijf bij partner. Op grond van het tweede lid
van artikel 3 van het Besluit, voorzover van belang, is een registratie
als bedoeld in het eerste lid aanwezig gedurende de periode waarin bij
de toepassing van de in dat lid genoemde wetten op enig moment
rechtsgevolgen worden verbonden aan het bestaan van een
gemeenschappelijke huishouding.
Op grond van de onderzoeksbevindingen moet ook naar het oordeel van de
Raad worden aangenomen dat [partner] en appellante vanaf 11 september
1998 feitelijk op één adres woonden en aldus hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hadden. De Raad kent bij zijn oordeelsvorming
beslissende betekenis toe aan het feit dat appellante op
inkomensopgaveformulieren op 5 oktober 1998 en op 7 september 1999 aan
gedaagde heeft opgegeven dat [partner] op haar adres woonde. Voorts
heeft appellante in het kader van de aanvraag voor een vergunning tot
verblijf van [partner] aan de vreemdelingenpolitie opgegeven dat zij
vanaf juli 1998 met [partner] samenwoonde, is [partner] vanaf 11 september 1998 bij de gemeentelijke basisadministratie op het adres
van appellante geregistreerd en heeft hij op zijn aangifte
inkomstenbelasting over het jaar 1998 het adres van appellante vermeld.
De stelling van appellante dat al deze opgaven uitsluitend gericht waren
op het verkrijgen van een vergunning tot verblijf voor [partner] en niet
overeenstemden met de werkelijke situatie, welke inhield dat [partner]
en zij tot hun kerkelijk huwelijk niet hebben samengewoond omdat hun
geloof dat hun verbiedt, is op geen enkele wijze onderbouwd en de Raad
acht dit ook overigens niet aannemelijk. De gedingstukken bieden evenmin
grondslag voor de stelling van appellante dat zij telefonisch het advies
van gedaagde heeft gekregen om de inkomensopgaveformulieren in te
vullen op de wijze zoals zij heeft gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat appellante en [partner] een gezamenlijke
huishouding voerden vanaf de datum dat er sprake was van een registratie
als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Anw en
het Besluit. Gelet op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, en
tweede lid, van het Besluit is de Raad van oordeel dat eerst sprake is
van een registratie als hier bedoeld op de datum met ingang waarvan een
verblijfsrecht is toegekend voor verblijf bij partner. Aangezien aan
[partner] met ingang van 1 april 1999 een vergunning tot verblijf is
verleend, kan eerst met ingang van die datum worden gesproken van een
gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de
Anw.
In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde bij besluit I ten onrechte
het besluit heeft gehandhaafd om de nabestaandenuitkering per 1 oktober
1998 in te trekken. Dit brengt mee dat dit besluit dient te worden
vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb). Met de vernietiging van dat besluit is tevens
de grondslag komen te ontvallen aan besluit II betreffende de
terugvordering van uitkering over de periode van 1 oktober 1998 tot 1
november 1999, zodat dat besluit op dezelfde grond eveneens voor
vernietiging in aanmerking komt.
De Raad komt in verband met het vorenstaande niet toe aan een bespreking
van de overige grieven van appellante.
De Raad zal - met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende
wat de rechtbank had behoren te doen - de beroepen gegrond verklaren en
bepalen dat gedaagde opnieuw dient te beslissen op de bezwaren van
appellante tegen de besluiten van 4 juli 2000 en 23 augustus 2000 met inachtneming van deze uitspraak.
Bij het nemen van dit besluit kan gedaagde naar het oordeel van de Raad
tot uitgangspunt nemen dat met ingang van 1 april 1999 voldaan is aan de
voorwaarden voor intrekking van de nabestaandenuitkering en tevens aan
de voorwaarden voor terugvordering van de te veel betaalde uitkering met
toepassing van artikel 53 van de Anw.
Omdat thans nog niet vaststaat hoe het nadere besluit van gedaagde zal
gaan luiden, ligt het niet op de weg van de Raad zich uit te spreken
over vergoeding van wettelijke rente met toepassing van artikel 8:73 van
de Awb, zoals namens appellante is verzocht. Gedaagde zal bij het nemen
van een nieuw besluit op de bezwaren van appellante tevens aandacht
moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te
vergoeden.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 966,-- in beroep
en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond;
Vernietigt de besluiten van 19 december 2000;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op de bezwaren tegen de
besluiten van 4 juli 2000 en 23 augustus 2000 met inachtneming van deze
uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.610,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde
griffierecht van € 136,46 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. C. van Viegen en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli
2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) S.W.H. Peeters.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
nabestaandenwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift
van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie
(gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van
Beroep in te zenden.
|
|