|
Uitspraak
02/3087 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen)
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
’s-Hertogenbosch onder dagtekening 23 april 2002 tussen partijen
gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 01/842), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Vanwege de Raad zijn partijen bij brieven van 6 oktober 2003 ervan in
kennis gesteld dat aan de gedingstukken de stukken zijn toegevoegd uit
een eerdere tussen partijen bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch gevoerde
beroepszaak (reg.nr. SBR 00/112 ANW V64 1A).
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juni
2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A.J.
Groenendaal, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde
in persoon is verschenen, bijgestaan door P.J. Reeser, werkzaam bij de
Stichting Schaderegelingskantoor Rechtsbijstandverzekering, als haar
raadsman.
II. MOTIVERING
Sinds 1991 ontving gedaagde uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en
Wezenwet (AWW). Deze is met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege
omgezet in een nabestaanden- en een halfwezenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw). Met ingang van 1 januari 1998 is deze
uitkering voor gedaagde inkomensafhankelijk geworden. Bij besluiten van
26 november 1997 is aan gedaagde, rekening houdend met de van haar
ontvangen inlichtingen omtrent haar inkomen, een
Anw-nabestaandenuitkering toegekend van f 2.021,25 bruto en een
Anw-halfwezenuitkering van f 384,26 per maand. In het besluit
betreffende de nabestaandenuitkering is vermeld dat op grond van het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw gedaagdes inkomen is vastgesteld op f
337,57 per maand, dat dit inkomen uit arbeid is en dat dit inkomen niet
volledig op de nabestaandenuitkering in mindering wordt gebracht, maar
dat 50% van het brutominimumloon niet wordt meegeteld en van het
resterende inkomen een derde niet.
Bij besluit van 14 juli 1999 heeft appellant van gedaagde een bedrag van
f 10.153,47 aan over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met juni 1999 ten
onrechte betaalde Anw-uitkering, vermeerderd met f 599,23 aan daarover
betaalde vakantietoeslag, van gedaagde teruggevorderd. Het bezwaar van
gedaagde hiertegen heeft appellant bij besluit van 10 december 1999
ongegrond verklaard.
Hangende het beroep tegen het besluit van 10 december 1999 bij de
rechtbank heeft appellant alsnog bij besluit van 18 september 2000,
onder intrekking van het daarop betrekking hebbend besluit van 26
november 1997, de nabestaandenuitkering van gedaagde met terugwerkende
kracht vanaf 1 januari 1998 herzien naar een bedrag van f 1.306,83 bruto
per maand, te vermeerderen met een vakantie-uitkering van f 88,49 bruto
per maand. Voorts heeft appellant bij dit besluit de hoogte van deze
uitkering per 1 april 1998, per 1 juli 1998, per 1 januari 1999 en per 1
april 1999 vastgesteld. Tegen dit besluit heeft gedaagde bij brief van
25 september 2000, aangevuld bij brief van 5 februari 2001, bezwaar
gemaakt.
De rechtbank heeft het besluit van 10 december 1999 bij uitspraak van 16
november 2000 vernietigd, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van
deze Raad dat terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering eerst
aan de orde kan komen als uit een eerder of gelijktijdig aan de
verzekerde kenbaar gemaakte beslissing voortvloeit dat en op welke grond
het terug te vorderen bedrag over het genoemde tijdvak verschuldigd is.
Tevens heeft de rechtbank appellant bij die uitspraak opgedragen een
nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen die uitspraak is geen hoger
beroep ingesteld.
Na die uitspraak heeft appellant op 4 januari 2001 een nieuw
terugvorderingsbesluit genomen met vermelding van de volgens appellant
bestaande mogelijkheid om daartegen bezwaar te maken, hetgeen gedaagde
ook metterdaad bij schrijven van 5 februari 2001 heeft gedaan. Op 8
maart 2001 heeft appellant een besluit bekend gemaakt waarbij de
herziening en de terugvordering worden gehandhaafd. Tegen laatstgenoemd
besluit is namens gedaagde bij schrijven van 3 april 2001 beroep
ingesteld.
De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat het (terugvorderings)besluit van 4 januari 2001 heeft te gelden als
besluit op bezwaar en dat daarin door appellant een onjuiste
rechtsmiddelenvoorlichting is gegeven door te vermelden dat tegen dit
besluit het rechtsmiddel van bezwaar openstond. Het schrijven van 5
februari 2001 van gedaagde, gericht tegen het besluit van 4 januari
2001, heeft de rechtbank aangemerkt als een verkeerd geadresseerd
beroepschrift en de te late ontvangst bij de rechtbank door de onjuiste
rechtsmiddelenvoorlichting als verschoonbaar. Het besluit van 8 maart
2001 heeft de rechtbank, voorzover het betrekking heeft op de
terugvordering, niet op rechtsgevolg gericht geacht, omdat op het
bezwaar tegen de terugvordering al bij besluit van 4 januari 2001 was
beslist.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en maakt dit tot het
zijne.
Aldus heeft de Raad in dit geding de vraag te beantwoorden of de bij het
op bezwaar genomen besluit van 8 maart 2001 gehandhaafde herziening van
gedaagdes Anw-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 januari 1998, in
stand kan blijven en of de bij het op bezwaar genomen besluit van 4
januari 2001 gehandhaafde terugvordering van deze uitkering over het
tijdvak 1 januari 1998 tot en met juni 1999 tot een bedrag groot f
10.752,70 op goede gronden is geschied. Daarbij stelt de Raad voorop dat
tussen partijen niet in geschil is dat de in de bestreden besluiten
vastgestelde inkomensgegevens en aanspraken van gedaagde op uitkering
ingevolge de Anw op zichzelf juist zijn en dat appellant aan gedaagde f
10.572,70 te veel nabestaandenuitkering heeft betaald.
Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de
Raad op dat uit artikel 34, eerste lid, van de Anw volgt dat indien de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde
gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken.
Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie van
Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden
(TK, 1994-1995, 23909, nr. 3). In de Memorie van Antwoord aan de Eerste
Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt
aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak
inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is
toegestaan, tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op
uitkering had (EK, 1995-1996, 23909, nr. 114b).
Appellant heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat appellant niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld
dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of
ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder
voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en
het vertrouwensbeginsel.
De Raad heeft geen enkele reden te veronderstellen dat gedaagde niet aan
al haar verplichtingen ingevolge de Anw heeft voldaan. Zoals ook in het
besluit van 8 maart 2001 is uiteengezet heeft appellant, ondanks dat hij
in het bezit was van een salarisspecificatie van gedaagde over de maand
juli met een vastgesteld bruto inkomen van f 2.463,02, daarmee geen
rekening gehouden bij het nemen van het besluit van 26 november 1997.
Bovendien heeft appellant ten onrechte bij dit besluit wel rekening
gehouden met het inkomen van gedaagde uit een tweetal pensioenfondsen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven
dat het te ver gaat om van gedaagde zodanige kennis te verlangen van de
hier aan de orde zijnde, weinig inzichtelijke en voor
oud-AWW-gerechtigden nog speciale, begunstigende voorwaarden bevattende,
wettelijke (overgangs)bepalingen - die bovendien enige tijd na het
besluit van 26 november 1997 nog eens ten voordele van genoemde
gerechtigden gewijzigd zijn - dat zij had moeten begrijpen dat haar
Anw-uitkering bij dat besluit op een te hoog bedrag was vastgesteld.
De Raad kan de rechtbank, en gedaagde, hierin niet volgen. Gedaagde
heeft niet ontkend dat zij op de hoogte was van het inkomensafhankelijke
karakter van de Anw per 1 januari 1998, onder meer door toezending van
de folder “Van AWW naar Anw: informatie over de overgangsregeling”.
Door gedaagde is ook niet ontkend dat zij door appellant tijdig is geďnformeerd
over de wijzigingen in de belastingregelgeving per 1 januari 1998, de
6%-operatie, en de gevolgen daarvan voor de uitvoering door appellant
van de Anw.
Anders dan gedaagde heeft gesteld is in hoofdstuk 8 van voornoemde
folder duidelijk uiteengezet op welke wijze in een geval als dat van
gedaagde rekening wordt gehouden met inkomsten uit arbeid. Naar het
oordeel van de Raad moet er dan ook van worden uitgegaan dat gedaagde
redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat, in het licht van haar
maandelijkse inkomsten uit arbeid van f 2.463,02 en het door appellant
voor de berekening van gedaagdes Anw-uitkering in het besluit van 26
november 1997 vermelde inkomen van f 337,52 uit arbeid, de hoogte van
haar Anw-uitkering niet spoorde met haar feitelijke inkomsten.
De Raad wil wel aannemen dat gedaagde, zoals zij ter zitting van de Raad
heeft beklemtoond, oprecht niet daadwerkelijk begrepen heeft dat haar
uitkering op een te hoog bedrag was vastgesteld. Naar in het hiervoor
overwogene ligt besloten kan die omstandigheid evenwel niet meebrengen
dat appellant van herziening en terugvordering had behoren af te zien.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dan ook met recht
geoordeeld dat er in het onderhavige geval - ook in zijn beleid - geen
redenen zijn om van herziening met terugwerkende kracht van gedaagdes
recht op Anw-uitkering met ingang van 1 januari 1998 af te zien.
Ingevolge artikel 53 van de Anw wordt, voorzover hier van belang, een
uitkering die onverschuldigd is betaald, teruggevorderd. Uit deze
bepaling volgt verder dat op grond van dringende redenen geheel of
gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Zoals de Raad reeds
meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld
slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of
sociale gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft.
De Raad moet evenwel constateren dat gesteld noch gebleken is dat
gedaagde ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als
hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat appellant wegens de aanwezigheid van
een dringende reden niet van terugvordering diende af te zien.
Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat de terugvordering de
rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en dat de inleidende beroepen tegen de
besluiten van 8 maart 2001 en 4 januari 2001 ongegrond moeten worden
verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 maart 2001 ongegrond;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 januari 2001 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als leden en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|