|
Uitspraak
02/3937 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
14 juni 2002, nr. SBR 01/1651, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn bij brief van 29 juni 2004 nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juli 2004, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote M.P.
van Achterberg, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. N. Zuidersma-Hovers, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 2 december 1997 is aan appellant met ingang van oktober
1997 een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw) toegekend.
Bij besluit van 1 september 2000 is aan appellant meegedeeld dat zijn
halfwezenuitkering met ingang van november 1998 wordt beëindigd, omdat
zijn zoon op 25 oktober 1998 18 jaar is geworden.
Bij besluit van 2 maart 2001 is aan appellant meegedeeld dat de ten
onrechte betaalde halfwezenuitkering van f 9.678,96 wordt teruggevorderd
en dat appellant dit bedrag binnen zes weken dient over te maken aan
gedaagde.
Bij besluit van 13 juli 2001 (hierna: het bestreden besluit) is het
bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2001 ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het terugvorderen van het
bruto bedrag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur. Daarbij moet volgens appellant onder meer in aanmerking worden
genomen dat voordat de Wet boeten van kracht was een beslissing tot
terugvordering als hier aan de orde, de beperkte toets van de rechter
niet kon doorstaan voorzover deze de terugvordering behelsde van
uitkeringen, betaalbaar gesteld meer dan zes maanden na het tijdstip
waarop het uitvoeringsorgaan actie had moeten ondernemen. In casu is
gedaagde pas na twintig maanden in actie gekomen, aldus appellant.
Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat hij in de jaren 1998 tot
en met 2000 in het 50% en in 2001 in het 42% belastingtarief viel.
Indien hij het brutobedrag in 2001 op zijn belastbaar inkomen in
mindering brengt, krijgt hij een bedrag van f 4.065,-- van de fiscus
terug met als gevolg dat hij daardoor schade lijdt ten bedrage van f
774,-- zijnde f 4.839,-- minus f 4.065,--.Verder is betoogd dat de
rechtbank in navolging van gedaagde aan artikel 53, vierde lid, van de
Anw een te beperkte werking geeft door alleen in geval van sociale of
financiële omstandigheden dat artikellid toe te passen. Tenslotte is
door appellant een beroep gedaan op een uitspraak van de Nationale
Ombudsman van 24 februari 2003, gepubliceerd in RSV 2003/127.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant met ingang van 1
november 1998 geen recht meer had op een halfwezenuitkering en gedaagde
derhalve terecht tot intrekking van deze uitkering per die datum is
overgegaan. Uitsluitend in geschil is of gedaagde op goede gronden het
over de periode van 1 november 1998 tot 1 september 2000 onverschuldigd
betaalde (bruto) bedrag aan halfwezenuitkering van appellant heeft
teruggevorderd.
Op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw is gedaagde gehouden de
onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Op grond van
artikel 53, vierde lid, van de Anw kan gedaagde, indien dringende
redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen
kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de
onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale - gevolgen die een
terugvordering voor een verzekerde heeft. Dergelijke gevolgen zijn
gesteld noch gebleken.
Ten aanzien van het beroep van appellant op jurisprudentie van voor de
Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering overweegt de Raad dat
deze jurisprudentie voor onderhavige zaak, die onder het nieuwe
terugvorderingsregime valt, gelet op de inhoud van de thans van
toepassing zijnde wettelijke bepalingen, geen gelding meer heeft.
Wat betreft het betoog van appellant met betrekking tot de door gedaagde
gemaakte fout merkt de Raad op dat dit wel een rol kan spelen in het
kader van het door gedaagde gehanteerde beleid bij herziening en
intrekking van uitkeringen. Aangezien gedaagdes besluit met betrekking
tot de intrekking van de uitkering van appellant evenwel rechtens
onaantastbaar is geworden, kan de Raad aan beoordeling van het op dit
punt door appellant gestelde niet toekomen.
De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht het
bruto in plaats van het netto bedrag heeft teruggevorderd. De Raad
onderschrijft hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen.
Ten aanzien van de schade van f 774,-- die appellant stelt te lijden ten
gevolge van de trage besluitvorming door gedaagde, overweegt de Raad dat
gedaagde, bij de wettelijk verplichte terugvordering als hier aan de
orde, in beginsel niet gerechtigd is om bij de vaststelling van het
terug te vorderen bedrag rekening te houden met mogelijke schade
voortvloeiend uit een door hem gemaakte fout. Appellant kan de gestelde
schade desgewenst via een bestuursrechtelijke of civielrechtelijke
procedure op gedaagde trachten te verhalen.
Het beroep van appellant op een uitspraak van de Nationale Ombudsman
vermag de Raad niet tot een ander oordeel te leiden. De Raad merkt
hierbij op dat het in de desbetreffende uitspraak van de Nationale
Ombudsman een civielrechtelijke terugvordering betrof, terwijl in het
onderhavige geschil het gaat om toepassing van artikel 53 van de Anw.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|