|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1116 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17
januari 2003, nr. AWB 01/3901 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, aangevuld bij schrijven van
21 juli 2003, met bijlagen betreffende een Turks ouderdomspensioen van
appellant.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juli 2004, waar
appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. G.A.A. Josseling, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren op 20 september 1933, heeft zich na verblijf in
Nederland per 25 november 1977 weer in Turkije gevestigd. Hij heeft een
uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
ontvangen tot 20 september 1998, op welke datum hij de leeftijd van 65
jaar bereikte. Met ingang van 1 oktober 1998 ontving hij een
ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij brief
van 12 februari 2001 heeft hij zich tot gedaagde gewend met een verzoek
om met ingang van het jaar 2000 deel te kunnen nemen aan de vrijwillige
verzekering voor de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij besluit van 28 maart 2001 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat
hij niet bevoegd is aan de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw deel
te nemen, op de grond dat hij in het jaar voorafgaand aan zijn
aanmelding op 12 februari 2001 niet verplicht verzekerd is geweest.
Bij besluit op bezwaar van 26 september 2001 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 28
maart 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat
gedaagde op juiste gronden heeft bepaald dat appellant niet verzekerd
was in het jaar voor de dag dat hij de aanvraag om tot de vrijwillige
verzekering te worden toegelaten heeft ingediend, zodat hij niet voldoet
aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 63b van de Anw. De rechtbank
heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die ertoe
zouden kunnen nopen van die dwingendrechtelijke bepaling af te wijken.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij vσσr zijn 65e jaar een
uitkering krachtens de WAO ontving, waarvan premies voor de
volksverzekeringen werden ingehouden. Naar zijn mening had gedaagde de
verzekering voor het Anw-gedeelte na zijn 65e jaar (1998) moeten
voortzetten en daarvoor de premie van zijn AOW-pensioen moeten inhouden.
Gedaagde zou hem niet hebben ingelicht over een wetswijziging waardoor
het in 2000 mogelijk werd een vrijwillige verzekering voor de Anw af te
sluiten.
Van de zijde van gedaagde is aangevoerd dat appellant op het moment van
zijn aanmelding voor de vrijwillige verzekering reeds 65 jaar was en
niet verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen, om welke reden
derhalve geen premies zijn ingehouden. Daarnaast had appellant zich naar
de opvatting van gedaagde zich vσσr 1 januari 2001 moeten aanmelden.
Bij brief van 21 juli 2003 heeft gedaagde ter aanvulling van deze
weigeringsgronden aangegeven dat appellant na 1 oktober 1998 niet
verplicht verzekerd op grond van de volksverzekeringen was, omdat hij
niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8 van KB 164 (Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 van 3
mei 1989, Stb. 164) en hij vanaf 1 januari 1999 niet voldeed aan de
voorwaarden van artikel 26 van KB 746 (Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb.
746), aangezien hij sedert 1 oktober 1998 in het bezit was van een Turks
ouderdomspensioen.
De Raad overweegt als volgt.
Appellant heeft bij de hierboven genoemde brief van 12 februari 2001
kennelijk een beroep willen doen op artikel 63a van de Anw, zoals
luidend van 1 januari 2000 tot 1 januari 2001. In dit artikel was onder
meer het volgende bepaald:
"1. In afwijking van artikel 63 kan de op 1 januari 2000 gewezen
verzekerde zich onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 63, eerste lid, te bepalen voorwaarden,
vrijwillig verzekeren, indien hij op 31 december 1999 verplicht
verzekerd was op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 13, derde lid, aangezien hij op die datum:
a. buiten Nederland woont en recht heeft op een uitkering op grond van
de Algemene Ouderdomswet, die ten minste gelijk is aan 35% van het in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; en
b. niet buiten Nederland arbeid verricht of een uitkering ontvangt
krachtens een buitenlandse wettelijke regeling.
(...)
3. De gewezen verzekerde, bedoeld in het eerste lid, geeft voor 1
januari 2001 schriftelijk aan de Bank te kennen de verzekering
vrijwillig te willen voortzetten.
(...)."
De Raad stelt allereerst vast dat appellant niet heeft voldaan aan het
vereiste van het derde lid van het hierboven aangehaalde wetsartikel dat
de verzekerde voor 1 januari 2001 schriftelijk te kennen moet hebben
gegeven de verzekering vrijwillig voort te willen zetten.
Om van bedoelde regeling gebruik te kunnen maken, diende een aanvrager
die in het buitenland woonachtig was, echter bovendien te voldoen aan de
in artikel 8 van KB 164, respectievelijk - vanaf 1 januari 1999 - in
artikel 26 van KB 746 genoemde voorwaarden. Ingevolge het derde lid van
genoemde artikelen is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen
degene die buiten Nederland arbeid verricht of een uitkering krachtens
een buitenlandse wettelijke regeling ontvangt. Ook voor de Raad staat
vast dat het met ingang van 1 oktober 1998 aan appellant toegekende
Turkse ouderdomspensioen moet worden aangemerkt als een zodanige
wettelijke buitenlandse regeling, zodat hij niet meer verzekerd was op
grond van de volksverzekeringen.
De grief van appellant, dat gedaagde hem niet van de wetswijziging in
2000 op de hoogte heeft gesteld, kan dan ook daarom reeds geen doel
treffen, aangezien een eerdere aanvraag van appellant niet tot een voor
hem positief resultaat had kunnen leiden.
Het hiervoor overwogene houdt tevens in dat appellant evenmin zich met
succes kan beroepen op de artikelen 63a en 63b van de Anw, zoals deze
artikelen luiden na 1 januari 2001.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet
slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|