|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3417 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen van de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 mei 2002, nummer
01/880 ANW VI A, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 19 augustus 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden
verwijst de Raad naar het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak
van de rechtbank.
Bij beslissing op bezwaar van 27 september 2001, hierna: het bestreden
besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het primaire
besluit van 11 juni 2001 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit
heeft gedaagde de aan appellant toegekende nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) over de periode mei 2000 tot
en met december 2000 herzien en nader vastgesteld op lagere bedragen.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard,
overwegende dat appellant weliswaar, onder verwijzing naar een
bijgevoegde salarisspecificatie over de maand mei 2000, aan gedaagde
heeft medegedeeld dat zijn inkomen per 15 mei 2000 was veranderd en ƒ
6.690,- per vier weken bedroeg, doch dat hij uit de hem door gedaagde
toegezonden brief van 29 juni 2000 inzake de fictieve vaststelling van
zijn inkomen vanaf juli 2000 op ƒ 1.745,44 had kunnen onderkennen dat
gedaagde een fout had gemaakt, zodat gedaagde tot herziening van de
nabestaandenuitkering met volledig terugwerkende kracht heeft kunnen
overgaan. De rechtbank heeft voorts in hetgeen door appellant is
aangevoerd geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond
waarvan een dringende reden zou kunnen worden aangenomen om geheel of
gedeeltelijk van die herziening af te zien.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijns inziens in het
onderhavige geval artikel 34, tweede lid, van de Anw
van toepassing is,
aangezien hij steeds zijn juiste inkomen heeft opgegeven en telkens van
gedaagde bericht terug heeft ontvangen dat de uitkering niet veranderde.
Omdat gedaagde een fout heeft gemaakt, is er in zijn visie een dringende
reden om geheel of gedeeltelijk van herziening van de
nabestaandenuitkering af te zien. Hij is van mening door de fout van
gedaagde op het verkeerde been te zijn gezet.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de in
het besluit van 11 juni 2001 vastgestelde aanspraken van appellant op
uitkering ingevolge de Anw over de periode mei 2000 tot en met december
2000 juist zijn en dat gedaagde over dat tijdvak aan appellant te veel
nabestaandenuitkering heeft betaald. Tussen partijen is in geschil of
gedaagde met recht appellants uitkering met terugwerkende kracht tot mei
2000 heeft herzien.
Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de
Raad op, dat uit artikel 34, eerste lid, van de Anw
volgt dat indien de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde
gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken.
Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw
is blijkens de Memorie van
Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden
(TK, 1994-1995, 23909, nr. 3). In de Memorie van Antwoord aan de Eerste
Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt
aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak
inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan
tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering
had (EK, 1995-1996, 23909, nr. 114b).
Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld
dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of
ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder
voornoemde wettelijke bepaling, het beginsel van de rechtszekerheid en
het vertrouwensbeginsel. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij
redelijkerwijs niet heeft kunnen onderkennen dat aan hem tot een te hoog
bedrag Anw-uitkering werd betaald.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het appellant na
kennisneming van gedaagdes brief van 29 juni 2000 duidelijk had kunnen
zijn dat zijn inkomen, op grond waarvan gedaagde concludeerde dat er
geen gevolgen waren voor appellants nabestaandenuitkering, onjuist was
vastgesteld. Daarbij acht de Raad allereerst van belang dat de
feitelijke inkomsten van appellant toen duidelijk hoger waren dan het
door gedaagde (fictief) vastgestelde bedrag van ƒ 1.745,44 per maand.
Appellant had zelf immers op 20 mei en 1 juni 2000 aan gedaagde
medegedeeld dat zijn inkomsten met ingang van 15 mei 2000 ƒ 6.690,- per
vier weken bedroegen. In gedaagdes brief van 29 juni 2000 staat vermeld dat appellant contact kan opnemen als hij het
niet eens is met de vaststelling van zijn inkomen, alsmede dat de
definitieve vaststelling over de maanden juni 2000 tot en met december
2000 zal plaatsvinden op het moment van de ontvangst van de betreffende
salarisspecificaties. Blijkens een zich in het dossier bevindende
telefoonnotitie van 14 december 2000 is eerst op die datum namens
appellant bij gedaagde navraag gedaan naar de (juistheid van de)
berekening van zijn nabestaandenuitkering vanaf mei 2000.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde naar het
oordeel van de Raad met recht heeft geoordeeld dat er in het onderhavige
geval - ook in zijn beleid - geen redenen zijn gelegen om van
herziening met terugwerkende kracht van appellants recht op Anw-uitkering met ingang van mei 2000 geheel of gedeeltelijk af te zien.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september
2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B van der Putten.
|
|