|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5332 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan
de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen
van 19 september 2003, nr. 03/552 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 augustus
2004, waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 27 november 2002 is de echtscheiding uitgesproken tussen appellant en
zijn echtgenote [naam echtgenote]. De beschikking tot echtscheiding is
op 17 februari 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand. In deze beschikking is geen verplichting tot betaling van
alimentatie opgelegd.
De ex-echtgenote van appellant is op 19 maart 2003 overleden. Appellant
heeft vervolgens aan gedaagde verzocht hem een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toe te kennen. Bij zijn in
bezwaar gehandhaafde besluit van 29 april 2003 heeft gedaagde afwijzend
op dit verzoek beslist. Daarbij is overwogen dat appellant op grond van
artikel 4 van de Anw niet als nabestaande ingevolge die wet aangemerkt
kan worden, omdat de echtgenote niet verplicht was krachtens
rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd in een notariële
akte of een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te
verschaffen aan appellant. Verder is overwogen dat horen in bezwaar
achterwege kon blijven vanwege kennelijke ongegrondheid.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Raad voorop dat
appellant niet als nabestaande in de zin van artikel 1, onder e, in
verbinding met artikel 3, van de Anw, zoals deze artikelen luidden ten
tijde van het overlijden van zijn ex-echtgenote, kan worden aangemerkt.
Een aanspraak op nabestaandenuitkering zou appellant slechts kunnen
ontlenen aan artikel 4 van de wet, dat bepaalt dat onder nabestaande
mede wordt verstaan de gewezen echtgenote van een overleden verzekerde,
indien:
a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden
verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst,
vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een
advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op
grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht
op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats
zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet voldoet aan de
voorwaarden om op grond van deze bepaling als nabestaande aangemerkt te
worden, omdat zijn ex-echtgenote jegens hem niet alimentatieplichtig was
op grond van een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst als hiervoor
omschreven. Appellant is echter van oordeel dat deze bepaling in zijn
geval buiten toepassing dient te blijven, omdat wel sprake was van een
financiële band tussen hem en zijn ex-echtgenote.
De Raad overweegt daartoe, dat een persoon in de positie van appellant
slechts bij wege van gelijkstelling ingevolge artikel 4 van de Anw als
nabestaande kan worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor
die gelijkstelling slechts dan voldoende grondslag aanwezig geacht,
indien er ten tijde van het overlijden sprake was van economische
afhankelijkheid, tot uitdrukking komend in een financiële band tussen
de overledene en de ex-echtgenot(e) welke was vastgelegd in een
uitspraak of akte als in de wet omschreven. Uit de wetsgeschiedenis
blijkt tevens dat de wetgever zich ervan bewust is geweest dat hier het
behoefteprincipe wordt vermengd met het principe van inkomensderving. De
aanvullende eis van de inkomensderving was in de ogen van de wetgever de
enige manier om voor deze groep nabestaanden een rechtvaardige regeling
tot stand te brengen, welke wat de hoogte van het toe te kennen pensioen
voor deze groep nader is uitgewerkt in artikel 17, derde lid, van de
Anw.
Ten slotte overweegt de Raad dat op grond van artikel 7:3 aanhef en
onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen van
belanghebbenden kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk
ongegrond is. Gedaagde heeft dan ook in dit geval terecht van het horen
kunnen afzien.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september
2004.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|