|
Uitspraak
02/2874 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraak van de rechtbank
Arnhem van 13 mei 2002, reg.nr. 00/2106 Anw.
Namens gedaagde heeft mr. drs. H.M.A.W. Erven, advocaat te Almere, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door G.J.N. Keuper, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Erven.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Gedaagde ontving sedert 1 maart 1991 een pensioen ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet (AWW), welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in
een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) als gevolg van
de inwerkingtreding van die wet per die datum.
Niet in geschil is dat op dezelfde adressen als waar gedaagde in de
periode van 1994 tot 1996 heeft gewoond tevens woonachtig was [naam
huisgenoot]. In de periode van 2 januari 1996 tot 26 juni 1996 is [naam
huisgenoot] wegens een herseninfarct verpleegd geweest in het Bosch
Medicentrum. Aansluitend, tot 1 april 1999, was [naam huisgenoot]
opgenomen in verpleeghuis Mariaoord te Rosmalen.
In juli 1999 heeft appellant een onderzoek ingesteld naar het recht van
gedaagde op uitkering. Op basis van dit onderzoek, waarvan de
bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 31 augustus 1999, heeft
appellant geconcludeerd dat gedaagde op 1 juli 1996 en ook nog op 31
december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met [naam huisgenoot].
Appellant heeft op 17 augustus 1999 besloten dat gedaagde met ingang van
1 januari 1998 recht heeft op een nabestaandenuitkering van f 694,86
bruto per maand, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
Bij brief van dezelfde datum heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat
zij met ingang van 1 januari 1998 teveel Anw-uitkering heeft ontvangen
en dat het voornemen bestaat de teveel betaalde uitkering tot een bedrag
van f 21.389,14 van haar terug te vorderen. Een formeel
terugvorderingsbesluit is nog niet genomen.
Het door gedaagde tegen het besluit van 17 augustus 1999 tot wijziging
van haar uitkering gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 oktober 2000
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
de proceskosten en het griffierecht, het tegen het besluit van 4 oktober
2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van
de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Ingevolge artikel 67, eerste en derde lid, van de Anw heeft de persoon
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Anw recht had
op een uitkering ingevolge de AWW, en op de dag van inwerkingtreding van
de Anw een gezamenlijke huishouding voerde anders dan ten behoeve van de
verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog
steeds voerde op 31 december 1997, met ingang van 1 januari 1998 recht
op een uitkering tot een bedrag van 30% van het brutominimumloon.
Volgens appellant doet de in deze bepaling bedoelde situatie zich in het
geval van gedaagde voor.
De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord
aan de hand van de feitelijke omstandigheden. In dit geding gaat het om
het antwoord op de vraag of appellant terecht heeft vastgesteld dat
[naam huisgenoot], ofschoon hij in de hier relevante periode was
opgenomen in een verpleeghuis, niettemin zijn hoofdverblijf had in de
woning van gedaagde.
Anders dan appellant heeft aangenomen is daarvoor (de frequentie van)
het nachtverblijf van [naam huisgenoot] bij gedaagde niet alleen
beslissend. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken
onvoldoende grondslag voor het oordeel dat [naam huisgenoot] reeds op 1
juli 1996, dat wil zeggen enkele dagen na zijn ontslag uit het
ziekenhuis en na zijn opname in het verpleeghuis, zijn hoofdverblijf in
de woning van gedaagde had. Daartoe acht de Raad - en dat geldt ook voor
de daarop volgende periode tot en met 31 december 1997 - de verklaringen
van gedaagde, van [naam huisgenoot] en van de geraadpleegde
verpleeghuisarts over de duur van het verblijf van [naam huisgenoot] bij
gedaagde gedurende de weekenden in dit geval op zichzelf niet
toereikend. Deze verklaringen zijn immers niet eenduidig, worden door
partijen verschillend geďnterpreteerd en worden deels tegengesproken
door de door gedaagde in het geding gebrachte verklaring van
maatschappelijk werkster Huivenaars. Ten slotte neemt de Raad in dit
verband in aanmerking dat [naam huisgenoot] (ook) heeft verklaard dat
hij dagelijks voor revalidatie in het verpleeghuis was en dat objectieve
gegevens over het feitelijke verblijf van [naam huisgenoot] aldaar,
zoals dagstaten betreffende zijn verpleging ten tijde van belang, geheel
ontbreken.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er
onvoldoende grondslag is voor de vaststelling dat [naam huisgenoot] op
de beide hier relevante data zijn hoofdverblijf had in de woning van
gedaagde, zodat aan dit criterium voor het voeren van een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in artikel 3 van de Anw niet is voldaan. Het
tweede in dit artikel genoemde criterium (de wederzijdse zorg) behoeft
derhalve geen bespreking meer.
In het hoger beroepschrift heeft appellant nog gewezen op de door hem
gehanteerde beleidsregels met betrekking tot beëindiging van een tot
dan toe gevoerde gezamenlijke huishouding, onder meer voor de situatie
waarin degene met wie de belanghebbende samenwoont tijdelijk elders
verblijft. Volgens appellant is in dit geval geen sprake van een
verbreking van de voorheen bestaande samenwoning van gedaagde en [naam
huisgenoot] in de zin van deze beleidsregels. Appellant heeft deze
beleidsregels evenwel niet (mede) ten grondslag gelegd aan de besluiten
van 17 augustus 1999 en 4 oktober 2000. De rechtbank heeft deze
beleidsregels ook niet beoordeeld in de aangevallen uitspraak. Gelet
daarop is de Raad van oordeel dat de vraag tot welk oordeel toepassing
van deze beleidsregels op het onderhavige geval zou moeten leiden thans
geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige geschil. Het staat appellant
overigens wel vrij deze vraag te betrekken bij het nemen van een nieuw
besluit op het bezwaar van gedaagde.
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde. Deze worden begroot op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 644,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat van de Sociale verzekeringsbank een griffierecht van €
327,-- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.W.H. Peters.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Anw kan
ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending
of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift
van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie
(gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van
Beroep in te zenden.
|
|