|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/5752 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. H.K. de Haan, advocaat te Sneek, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3
oktober 2002, reg.nr. 02/305 ANW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding geregistreerd onder nummer 02/5755
AOW, behandeld ter zitting van 31 augustus 2004, waar appellante in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.C. van den Bosch-Scholts,
advocaat te Sneek, en waar gedaagde met bericht van verhindering niet is
verschenen.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer
gesplitst. In beide zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 juli 1973 een pensioen ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 is
omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Naar aanleiding van een in november 2000 ingekomen melding dat
appellante zou samenwonen met [partner] (hierna: [partner]) hebben
sociaal rechercheurs in dienst van gedaagde een onderzoek ingesteld naar
de rechtmatigheid van de nabestaandenuitkering van appellante.
In het kader van dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in
een rapport van 31 augustus 2001, is onder meer een aantal getuigen
gehoord en hebben appellante en [partner] op 22 augustus 2001
verklaringen afgelegd.
Op grond van de onderzoeksresultaten heeft gedaagde geoordeeld dat
appellante vanaf 1 januari 1995 een gezamenlijke huishouding voert met [partner] en heeft
gedaagde bij besluit van 7 november 2001 de nabestaandenuitkering van
appellante met ingang van 1 januari 1998 herzien naar een uitkering ter hoogte van
30% van het brutominimumloon.
Het tegen het herzieningsbesluit van 7 november 2001 gemaakte bezwaar
heeft gedaagde bij besluit van 8 februari 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 8 februari 2002 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellante
gemotiveerd bestreden. Appellante handhaaft haar stelling dat zij op en
na 1 januari 1995 geen gezamenlijke huishouding met [partner] voerde.
De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt - voorzover hier van
belang - als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke
huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde
woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel
van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die
tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de
motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet
van belang.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat gezamenlijk in de
huisvesting wordt voorzien.
Volgens vaste rechtspraak behoeft het aanhouden van afzonderlijke
woonruimte op zich aan het gezamenlijk voorzien in huisvesting niet in
de weg te staan. In dat geval zal echter voldoende aannemelijk moeten
zijn dat een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts
één van de ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel
doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt
gemaakt dat de facto van samenwoning gesproken kan worden.
Gezien het rapport van 31 augustus 2001 van de Sociale Recherche,
waarvan in het bijzonder de verklaringen van de diverse als getuige
gehoorde buurtbewoners, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan
dat appellante en [partner] ten tijde van belang hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hadden, in de eerste plaats in de woning van appellante
aan de [adres] te [woonplaats] en incidenteel in de woning van [partner]
aan de [adres 2] aldaar.
De stelling van appellante en [partner] dat zij hun hoofdverblijf niet
in dezelfde woning hadden omdat zij de nachten in hoofdzaak in de eigen
woning doorbrachten, waarna in de ochtend appellante naar de woning van
[partner] ging of [partner] appellante bij haar woning ophaalde teneinde
samen naar hun volkstuin te gaan, heeft de Raad niet tot een ander
oordeel kunnen brengen. De verklaringen van appellante en [partner] ter
zake zijn immers niet eenduidig en vinden in geen van de
getuigenverklaringen bevestiging. Gevoegd bij het feit dat het
waterverbruik in de woning van [partner] in de onderzochte periode in
het algemeen zo laag was dat van bewoning, zelfs uitsluitend in de
nacht, geen sprake kan zijn geweest, maakt dit voldoende aannemelijk dat
ten tijde van belang aan het huisvestingscriterium werd voldaan.
Op grond van de door appellante en [partner] tegenover de sociaal
rechercheurs afgelegde verklaringen, bezien in onderlinge samenhang met
de overige uit de gedingstukken gebleken feiten en omstandigheden, is
naar het oordeel van de Raad tevens genoegzaam komen vast te staan dat
in het geval van appellante en [partner] ook voldaan is aan het (tweede)
criterium, dat van de wederzijdse zorg.
De Raad heeft daarbij nog in aanmerking genomen dat [partner] in de tuin
van appellante in een hok kippen houdt en dat [partner]’s computer met
toebehoren, waaraan hij zeer gehecht blijkt te zijn, zich in de woning
van appellante bevindt.
Dat gedaagde op grond van de ter beschikking staande feiten en
omstandigheden het niet nodig heeft geoordeeld om tot afzonderlijke
huisbezoeken te besluiten, staat in de onderhavige situatie niet in de
weg aan de conclusie dat er sprake is van het voeren van een
gezamenlijke huishouding ten tijde hier in geding.
Aan de in hoger beroep door appellante in geding gebrachte verklaringen
kan de Raad, gelet op de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche,
niet de betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien.
Evenmin slaagt de grief dat appellante in verband met haar
ongeschooldheid niet in staat was kennis te nemen van de inhoud van de
periodiek door gedaagde verstrekte informatie met betrekking tot haar
nabestaandenuitkering. Appellante had zich immers dienaangaande tot
gedaagde dan wel vrienden of kennissen kunnen wenden.
Tot slot overweegt de Raad dat hij geen doorslaggevende betekenis
toekent aan het gegeven dat het Openbaar Ministerie wegens gebrek aan
bewijs geen strafvervolging tegen appellante heeft ingesteld. De
bestuursrechter gaat met betrekking tot de vraag of er sprake is van het
voeren van een gezamenlijke huishouding uit van een eigen vaststelling
en waardering van de zich voordoende feiten en omstandigheden en is
hierbij niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.
Nu gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht heeft aangenomen dat
appellante ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met
[partner], is haar nabestaandenuitkering, gezien het bepaalde in
artikel 34, eerste lid, van de Anw in verbinding met artikel 67, derde
lid, van de Anw met ingang van 1 januari 1998 terecht herzien.
Van dringende redenen, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de
Anw, op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van herziening kon
afzien, is de Raad niet gebleken.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12
oktober 2004.
(get.) J.M.A. Van der Kolk-Severijns.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene
nabestaandenwet kan ieder van partijen beroep in cassatie instellen ter
zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het
begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit
afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in
cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad
van Beroep in te zenden.
|
|