|
Uitspraak
03/4827 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus
2003, reg.nr. AWB 02/3243 Anw, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 15 oktober 2004, waar beide partijen met kennisgeving
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft appellante in verband met het overlijden van haar
echtgenoot een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene
nabestaandenwet (Anw) toegekend.
Appellante heeft gedaagde bij brief van 26 december 2000 verzocht haar
te informeren over haar recht op een ouderdomspensioen ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW) als zij 65 jaar wordt. Tevens heeft
appellante gedaagde bij een brief van gelijke datum verzocht om
toezending van een formulier AOW verzekeringen vanaf 1 januari 2000 (een
formulier vrijwillige verzekering).
Gedaagde heeft appellante bij brief van 2 juli 2001 medegedeeld dat haar
recht op een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw
ingaande 1 juli 2002
wordt beëindigd omdat zij dan 65 jaar wordt. Voorts heeft gedaagde
appellante medegedeeld dat zij geen recht heeft op een ouderdomspensioen
omdat zij nimmer in Nederland gewoond of gewerkt heeft, maar dat
appellante alvorens bezwaar te maken eerst de officiële
afwijzingsbeschikking moet afwachten. Bij besluit van 20 september 2001
heeft gedaagde de uitkering krachtens de Anw
van appellante per 30 juni
2002 beëindigd en bij besluit van 20 juni 2002 heeft gedaagde geweigerd
een ouderdomspensioen aan appellante toe te kennen.
Bij het bestreden besluit van 12 juni 2002 heeft gedaagde het door
appellante gemaakte bezwaar tegen zijn primair besluit van 20 september
2001 ongegrond verklaard.
Appellante is van dit besluit in beroep gekomen, daartoe aanvoerde:
"Volgens de betreffende beschikking, mijn recht op
Anw-uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin
ik 65 jaar zal worden op 01-07-2002, ik ben eens met deze beschikking,
maar ik verzocht sociale verzekeringsbank om AOW-uitkering aan mij te
verstrekken na mijn 65 jarige op 01-07-2002.
In ieder geval, ik wil graag een AOW-uitkering krijgen vanaf 01-07-2002
zoals de andere vrouwen die 65 jaar zijn geworden omdat mijn echtgenoot
voor dat hij overleden is was verzekerd voor Anw/Aow."
De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, daartoe - kort gezegd - overwegende dat het beroep van appellante niet gericht is tegen de
stopzetting van haar nabestaandenuitkering ingevolge de Anw.
Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat zij een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) wil
ontvangen.
De Raad overweegt als volgt.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank appellante terecht
niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen het bestreden besluit
van 12 juni 2002. De Raad overweegt hiertoe dat het geschil zich gelet
op de inhoud van het bestreden besluit toespitst op de beëindiging van
het aan appellante ingevolge de Anw toegekende nabestaandenpensioen,
terwijl appellante met haar beroep niet heeft beoogd deze beëindiging
aan te vechten. Appellante beoogde blijkens haar beroepschrift immers
een ouderdomspensioen ingevolge de AOW te verkrijgen. Nu hetgeen door
appellante met het door haar ingestelde beroep wordt beoogd te
verkrijgen in dit geding niet verkregen kan worden, acht de Raad,
evenals de rechtbank, het beroep van appellante wegens het ontbreken van
belang niet-ontvankelijk.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|