|
Uitspraak
02/5852 ANW en 02/5853 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep
gekomen van de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9
oktober 2002, nrs. AWB 00/6926, AWB 01/849, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de rechtbank de Raad enige nadere stukken doen
toekomen.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 19
november 2004, waar appellant zich niet heeft doen vertegenwoordigen,
terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.L. van
Stokkum.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is
aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de volgende feiten
en omstandigheden:
"Eiseres ontving sinds 1996 nabestaandenuitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet (Anw). Daarnaast werkte zij (sinds juni 1994)
als verkoopster. In april 1998 werd eiseres arbeidsongeschikt en per 1
april 1999 - nadat haar loon gedurende een jaar door de werkgever was
doorbetaald - werd haar uitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.
Bij besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder eiseresses Anw-uitkering
met toepassing van (onder meer) de artikelen 18 en 19 van die wet per 1
oktober 1998 naar lagere maandbedragen herzien, kennelijk vanwege haar
inkomsten uit respectievelijk in verband met arbeid. Naar aanleiding van
hiertegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij besluit op bezwaar van 28
augustus 2000 genoemde herziening gehandhaafd, met dien verstande dat - ten nadele van eiseres
- thans bij de WAO-uitkering tevens
rekening werd gehouden met de overhevelingstoeslag. Tegen dit laatste
besluit heeft eiseres op 4 oktober 2000 beroep ingesteld, omtrent welk
beroep zij bij brief van 4 december 2000 heeft bericht daarvan
“vooralsnog af te zien”.
Inmiddels had verweerder bij besluit van 18 september 2000 aan eiseres
medegedeeld dat terzake van per 1 oktober 1998 te veel betaalde
Anw-uitkering een bedrag van f 6413,19 van haar werd teruggevorderd. Het
hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 april 2001 ongegrond
verklaard. Ook tegen dit laatste besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 5 maart 2002 (...).
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend, waarna verweerder
bij brief van 21 mei 2002 desverzocht nieuwe berekeningen heeft
ingezonden van eiseresses inkomen uit arbeid en Anw-uitkering over de
periode van 1 oktober 1998 tot 1 april 1999. Tevens heeft verweerder een
nieuw herzieningsbesluit d.d. 22 mei 2002 ingezonden, waarin andere
Anw-bedragen per 1 oktober 1998 staan vermeld, en een nieuw
terugvorderingsbesluit d.d. 22 mei 2002, waarin een ander
terugvorderingsbedrag staat weergegeven.”
De rechtbank heeft vervolgens als volgt geoordeeld:
"De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen verweerders
besluit van 28 augustus 2000 - zaak 00/6926 - niet als ingetrokken
dient te worden beschouwd.
Hierbij is van belang dat eiseres met name bezwaar maakt(e) tegen de
wijze waarop verweerder eiseresses inkomsten respectievelijk
Anw-uitkering had berekend. Zo vermeldde eiseres in haar beroepschrift
van 4 oktober 2000 dat verweerder “steeds andere geldbedragen
invordert”, verzocht zij in haar aanvullend beroepschrift van 16
oktober 2000 een specificatie te verstrekken van het door verweerder
berekende (terugvorderings)bedrag en schreef zij in het aanvullende
beroepschrift van 29 oktober 2000 dat “bezwaar moet gaan over een ‘voor beroep vatbaar
besluit’ ” en : “Daar de besluiten van de SVB telkenmale zichzelve
tegenspreken maken wij tegen de berekeningswijze van deze besluiten
bezwaar”. Toen eiseres bij brief van de griffier van 23 november 2000
was uitgenodigd de gronden van het beroep alsnog aan te voeren reageerde
eiseres daarop bij schrijven van 4 december 2000 als
volgt: ”... bericht ik u dat nog immer géén voor beroep vatbaar
besluit bij mij is van de SVB. Nog steeds verschillen de mij opgelegde
geldbedragen over de berekenwijze ! Van de bezwaarprocedure bij Uw
rechtbank zie ik dan ook vooralsnog af.”
De rechtbank merkt voorts op dat uit het primaire herzieningsbesluit van
10 maart 2000 op geen enkele wijze de berekening van eiseresses
inkomsten en Anw-uitkering vanaf 1 oktober 1998 valt af te leiden. Ook
een einddatum van de herzieningsperiode wordt niet in dat besluit
genoemd. In het besluit op bezwaar van 28 augustus 2000 wordt weliswaar
op een bepaalde manier een berekening gegeven van eiseresses inkomsten
uit en in verband met arbeid over de periode van 1 oktober 1998 tot en met november 1999, maar daarin ontbreekt een
berekening die betrekking heeft op de vrijlatingsregeling en op de
aftrek van de in aanmerking te nemen inkomsten van het maximale
Anw-uitkeringsbedrag. Uit het inmiddels genomen primaire
terugvorderingsbesluit van 18 september 2000 valt evenmin iets af te
leiden omtrent genoemde berekeningswijze.
Onder de zojuist genoemde omstandigheden moet worden aangenomen dat
eiseres, geplaatst voor de noodzaak om gronden in te dienen voor haar
beroep tegen de berekeningswijze van het herzieningsbesluit (en
kennelijk niet op de hoogte van de mogelijkheid om daarvan uitstel te
verzoeken totdat verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken
zou hebben ingediend, daargelaten of die stukken hier wèl de nodige
duidelijkheid zouden hebben verschaft), bij haar aan de rechtbank
gerichte schrijven van 4 december 2000 in wezen heeft beoogd - niet om
genoemd beroep definitief in te trekken maar - om verder uitstel te
verkrijgen voor het indienen van voornoemde gronden. Tevens wordt er op
gewezen dat het “vooralsnog intrekken” (of, zoals in het verslag van
de hoorzitting van 8 maart 2001 staat vermeld, het “voorlopig
intrekken”) van het beroep in het algemeen niet zonder meer kan worden
gelijkgesteld aan het daadwerkelijk intrekken van het beroep. De brief
van de griffier van de rechtbank van 12 december 2000 - waarin de
mededeling dat het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2000 was “ingetrokken”
- dient dan ook als niet
geschreven te worden beschouwd.
Thans komt de rechtbank toe aan de vraag of de bestreden besluiten van
28 augustus 2000 en van 4 april 2001, alsmede de twee ingevolge de
artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede bij deze gedingen te betrekken
wijzigingsbesluiten van 22 mei 2002, in rechte stand kunnen houden.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.
Allereerst staat vast dat bij de besluiten van 28 augustus 2000 en van 4
april 2001 is uitgegaan van een onjuiste berekening van eiseresses
inkomsten over de periode van 1 oktober 1998 tot 1 april 1999. De door
verweerder bij brief van 21 mei 2002 ingezonden op die periode
betrekking hebbende nieuwe berekeningen - welke op zichzelf genomen
ook niet vanwege eiseres zijn bestreden - komen de rechtbank juist
voor. Deze besluiten dienen derhalve wegens strijd met de wet (artikelen
18 en 10 van de Anw) te worden vernietigd.
In de tweede plaats wordt overwogen dat in alle vier genoemde besluiten
ten aanzien van de periode vanaf 1 april 1999 een overhevelingstoeslag
bij eiseresses inkomsten wordt betrokken, terwijl die toeslag bij het
primaire besluit van 10 maart 2000 buiten beschouwing is gebleven. Het is echter in het
algemeen onaanvaardbaar dat een bestuursorgaan naar aanleiding van een
ingediend bezwaarschrift een besluit neemt dat de belanghebbende in een
nadeliger positie brengt. Dit vindt (onder meer) uitdrukking in artikel
7:11, lid 1, van de Awb, krachtens welk artikellid heroverweging van het
bestreden besluit plaatsvindt op grondslag van het bezwaar. Aldus dienen
alle vier genoemde besluiten (ook) om deze reden wegens strijd met de
wet te worden vernietigd.
Gezien het vorenstaande zullen de beroepen gegrond worden verklaard.
Verweerder zal een nieuw besluit op de bezwaren moeten nemen waarbij hij
eiseresses Anw-uitkering over de periode vanaf 1 oktober 1998 opnieuw
vaststelt en het te veel betaalde terugvordert, daarbij rekening
houdende met hetgeen in de twee voorgaande alinea’s is overwogen.
Naar aanleiding van hetgeen eiseres in deze gedingen naar voren heeft
gebracht merkt de rechtbank tenslotte nog op dat een zijdens verweerder
telefonisch gedane mededeling dat “alles in orde was” - gedaan
nadat eiseres in november 1999 gegevens omtrent haar inkomsten had
verstrekt - niet tot gevolg kan hebben dat de wettelijke herzienings-
en terugvorderingsplicht van verweerder terzijde wordt geschoven.
Evenmin zijn er dringende redenen om van terugvordering af te
zien."
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de
herzieningsbesluiten van 28 augustus 2000 en 22 mei 2002 en de
terugvorderingsbesluiten van 4 april 2001 en 22 mei 2002 vernietigd.
Gedaagde is opgedragen in bezwaar opnieuw te beslissen met inachtneming
van de uitspraak van de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellant gemotiveerd betoogd dat gedaagde haar
beroep tegen het besluit op bezwaar van 28 augustus 2000 wel degelijk
heeft ingetrokken. In het schrijven van gedaagde van 4 december 2000 aan
de rechtbank deelt zij mede dat er nog immer geen voor beroep vatbaar
besluit is. Van de bezwaarprocedure bij de rechtbank wordt vooralsnog
afgezien. Verzocht wordt het gestorte griffierecht terug te storten. De
redenering die de rechtbank volgt om te komen tot een beoordeling van de
beschikking van 28 augustus 2000 en als gevolg daarvan van het
herzieningsbesluit van 22 mei 2002 kan gedaagde niet volgen.
Voor het geval de Raad oordelen zou dat een inhoudelijke beoordeling van
het herzieningsbesluit wel aan de orde is, wordt door appellant
opgemerkt dat, ook naar het oordeel van de rechtbank, het
herzieningsbesluit en het terugvorderingsbesluit correct voorkomen. De
rechtbank heeft het herzieningsbesluit vernietigd wegens strijd met
artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft
dit besluit in strijd geoordeeld met het verbod van reformatio in peius.
Volgens appellant blijkt uit de memorie van toelichting (MvT) bij
artikel 7:11 van de Awb dat deze bepaling er niet aan in de weg staat
een bevoegdheid tot wijziging van een besluit ten nadele van een
belanghebbende uit te oefenen in die gevallen waarin die bevoegdheid op
andere gronden reeds bestaat. Indien het bestuursorgaan ook zonder dat
het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden
besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn, verzet artikel 7:11
van de Awb zich er niet tegen dat die wijziging betrokken wordt bij de
beslissing op het bezwaarschrift, aldus de MvT. Volgens appellant is
hiervan in het onderhavige geval sprake. In artikel 34, eerste lid,
aanhef en sub b, van de Anw staat de verplichting om een uitkering te
herzien indien deze te hoog is vastgesteld. Deze bevoegdheid staat los
van het al dan niet indienen van een bezwaarschrift.
In verweer is door gedaagde beklemtoond dat zij appellant steeds tijdig
van haar gewijzigde omstandigheden op de hoogte heeft gesteld. Haar is
zijdens gedaagde in november 1999, na de verstrekking van haar
inkomensgegevens, nog verzekerd dat ‘alles in orde was’. Voorzover
er al tot herziening zou mogen worden overgegaan zou dat niet eerder dan
per 1 april 1999 het geval mogen zijn, en in elk geval niet reeds per 1 oktober 1998.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad zal eerst ingaan op de vraag of de rechtbank met recht heeft
geoordeeld dat gedaagdes beroep tegen appellants besluit van 28 augustus
2000 niet door gedaagde bij brief van 4 december 2000 is ingetrokken. De
Raad stelt vast dat gedaagde op 23 november 2000 door de griffier van de rechtbank is uitgenodigd de
gronden van het beroep aan te voeren. Gedaagde heeft hierop gereageerd
middels het in de aangevallen uitspraak uitvoerig aangehaalde schrijven
van 4 december 2000. Vervolgens is bij brief van de griffier van de
rechtbank van 12 december 2000 aan partijen bericht dat het beroep tegen
het besluit van 28 augustus 2000 is ingetrokken. Door gedaagde is op dit
schrijven niet gereageerd. Naar aanleiding van (de uitkomst van) de
hoorzitting op 8 maart 2001 met betrekking tot het
terugvorderingsbesluit van 18 september 2000 wendde gedaagde zich
wederom tot de rechtbank. Onder verwijzing naar de brief van 4 december
2000 liet zij bij brief van 31 maart 2001 de rechtbank weten dat zij het
niet eens is met de terugvordering en dat zij een beslissing van de
rechtbank afwacht. Bij brief van 1 mei 2001 zendt appellant het besluit
op bezwaar van 4 april 2001 in.
Bij een tweetal besluiten van 22 mei 2002 heeft appellant het
herzieningsbesluit van 28 augustus 2000 en het terugvorderingsbesluit
van 4 april 2001 ingetrokken en vervangen door een tweetal nieuwe
besluiten. Bij brief van 30 mei 2002 heeft mr. R.L. van Stokkum namens
gedaagde tegen deze besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de besluiten van 22 mei 2002
blijkt dat gedaagde bij de besluiten van 28 augustus 2000 en 4 april
2001 is uitgegaan van een onjuiste berekening. Op die grond heeft de
rechtbank deze besluiten in strijd met de wet geoordeeld.
De Raad is van oordeel dat uit het voorafgaande geen andere conclusie
kan worden getrokken dan dat het beroep dat gedaagde op 4 oktober 2000
had ingesteld tegen het besluit van 28 augustus 2000 door haar
schriftelijk is ingetrokken. Met betrekking tot het herzieningsbesluit
van 28 augustus 2000 volgt daaruit dat de rechtbank terzake van dit
rechtsgeldig ingetrokken beroep ten onrechte ten gronde uitspraak heeft
gedaan. De uitspraak van de rechtbank komt in zoverre dan ook voor
vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank had behoren te doen
zal de Raad het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2002 vervallen
verklaren.
Ten aanzien van het terugvorderingsbesluit van 4 april 2001 merkt de
Raad op dat, gezien de intrekking van dit besluit door gedaagde bij
besluit van 22 mei 2002, de rechtbank het beroep tegen dit besluit
niet-ontvankelijk had moeten verklaren, tenzij gedaagde bij de
vernietiging van dat besluit belang had. Een dergelijk belang is gesteld
noch gebleken. Daaruit volgt dat ook in zoverre de uitspraak van de
rechtbank niet in stand kan blijven. De uit het besluit van 22 mei 2002
blijkende partiële onjuistheid van het besluit van 4 april 2001 brengt wel mee dat appellant door de rechtbank terzake van
dit beroep met recht is veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht
aan gedaagde.
Resteert de beoordeling van de uitspraak van de rechtbank inzake het
beroep dat gedaagde heeft ingesteld tegen het herzieningsbesluit van 22
mei 2002 én het beroep dat gedaagde, op grond van het bepaalde in de
artikelen 6:18 juncto 6:19 van de Awb, geacht wordt te hebben ingesteld
tegen het terugvorderingsbesluit van 22 mei 2002.
Ten aanzien van het herzieningsbesluit van 22 mei 2002 heeft de
rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte, namelijk in afwijking
van het primaire herzieningsbesluit van 10 maart 2000, de
overhevelingstoeslag heeft betrokken bij de berekening van gedaagdes in
aanmerking te nemen inkomen. De rechtbank heeft deze handelwijze in
strijd geoordeeld met het verbod van reformatio in peius als neergelegd
in artikel 7:11 van de Awb. Op die grond heeft de rechtbank het
herzieningsbesluit, en in het verlengde daarvan het
terugvorderingsbesluit van 22 mei 2002, vernietigd.
Appellant heeft dit oordeel bestreden. Volgens appellant was hij
verplicht om tot herziening over te gaan. In zo’n geval kan de
herziening van de uitkering, zonder in strijd te komen met het verbod
van reformatio in peius, óók vorm worden gegeven via de beslissing op
bezwaar.
De Raad stelt vast dat appellant, op grond van het bepaalde in artikel
34, eerste lid, van de Anw, verplicht is tot herziening van een
Anw-uitkering indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend. De Raad is met appellant van oordeel dat hieruit volgt dat aan
deze verplichting, in het geval van een lopende bezwaarprocedure, buiten
de gronden van het bezwaar om, vorm kan worden gegeven via de in die
procedure te nemen beslissing op bezwaar. Van strijd met het verbod van
‘reformatio in peius’ kan in zo’n geval, gezien het
dwingendwettelijk karakter van de regeling, niet worden gesproken.
Uit dit oordeel van de Raad volgt dat de vernietiging van de rechtbank
van de besluiten van 22 mei 2002, op de door de rechtbank aangevoerde
gronden, geen stand kan houden.
De Raad zal, mede gezien het tussen partijen in bezwaar en beroep
gevoerde debat, nagaan of deze besluiten op andere gronden in rechte
geen stand kunnen houden.
Ten aanzien van het herzieningsbesluit merkt de Raad op dat gedaagde
appellant eerst in november 1999 - onder meer door middel van
loonafrekeningen - heeft geïnformeerd over de wijzigingen in haar
inkomen sedert oktober 1998. Appellant heeft zich dan ook met recht
verplicht geacht om vanaf 1 oktober 1998 over te gaan tot herziening van
gedaagdes uitkering. De aan het herzieningsbesluit van 22 mei 2002 ten
grondslag gelegde berekeningen zijn door gedaagde niet bestreden. Ook de
Raad komen deze berekeningen niet onjuist voor. Door gedaagde is nog
betoogd dat door appellant in november 1999 telefonisch is toegezegd dat
‘alles in orde was’. De Raad moet evenwel vaststellen dat een
dergelijke opmerking door appellant is ontkend, terwijl in de
gedingstukken hiervoor geen grondslag is te vinden. De Raad is niet
gebleken van dringende redenen die appellant hadden moeten nopen geheel
of gedeeltelijk van herziening af te zien. Het herzieningsbesluit kan
naar het oordeel van de Raad dan ook niet voor onrechtmatig worden
gehouden.
Daaruit volgt tevens dat appellant gehouden was om over te gaan tot
terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering, behoudens
voorzover dringende redenen daaraan in de weg zouden staan. Van
dringende redenen in de zin van de van toepassing zijnde wettelijke
bepaling om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de
Raad evenwel niet gebleken.
De Raad concludeert dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de
rechtbank inzake de besluiten van 22 mei 2002 slaagt. De uitspraak van
de rechtbank komt ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van het bepaalde
inzake de vergoeding van het griffierecht;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 28 augustus 2000
vervallen;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 4 april 2001
niet-ontvankelijk;
Verklaart het inleidend beroep tegen het herzieningsbesluit van 22 mei
2002 en het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht
tegen het terugvorderingsbesluit van 22 mei 2002 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|