|
Uitspraak
03/6323 ANW en 03/6325 ANW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante is M.H. Fassotte, wonende te Venray, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de
uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 april 2003, nrs.
AWB 02/351 ANW en AWB 02/1344 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van
appellante bij schrijven van 19 februari 2004, met bijlagen, is
gereageerd.
Op 21 september 2004, 16 januari 2005, 16 februari 2005, 21 februari
2005 en 15 maart 2005 heeft de gemachtigde van appellante nadere stukken
aan de Raad toegezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 1 april 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door M.H. Fassotte,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
In verband met het overlijden van haar echtgenoot heeft appellante op 29
mei 1999 bij gedaagde een aanvraag om een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingediend. Op het
aanvraagformulier heeft zij ingevuld dat zij op de overlijdensdatum geen
gezamenlijke huisvesting had met anderen dan de overledene. Bij besluit
van 7 juli 1999 heeft gedaagde appellante met ingang van april 1999 een
nabestaandenuitkering toegekend van ƒ 1.830,02 bruto per maand en een
vakantie-uitkering van ƒ 118,76 bruto per maand.
Op een op 6 augustus 2000 aan gedaagde toegezonden
inkomensopgaveformulier heeft appellante vermeld dat op haar woonadres
sinds 1 maart 1995 nog een andere persoon woonachtig is, te weten
[betrokkene], geboren [in] 1948 (welk jaartal later met pen is gewijzigd
in 1942), welke persoon niet haar vader, haar moeder of haar kind is.
Bij vraag 7 van het formulier heeft zij aangegeven dat het haar
verstandelijk gehandicapte broer betreft, die door haar wordt verzorgd.
Nadat onderzoek was verricht naar de leefsituatie van appellante heeft
gedaagde bij primair besluit van 7 september 2000 de Anw-uitkering van
appellante met ingang van september 2000 geschorst, welk besluit na
daartegen gemaakt bezwaar door gedaagde bij besluit op bezwaar van 1
februari 2001 is gehandhaafd. In de daarop volgende procedure heeft de
Raad, onder nummer 02/2211 ANW, op 31 oktober 2003 uitspraak gedaan.
Bij besluit van 6 februari 2001 heeft gedaagde de aan appellante
toegekende Anw-uitkering ingaande april 1999 herzien naar een
nabestaandenuitkering voor een verzorgingsrelatie, aangezien is
vastgesteld dat appellante uit verzorgingsoverwegingen een gezamenlijke
huishouding voert met een hulpbehoevende. Bij brief van dezelfde datum
is haar medegedeeld dat een boete zal worden opgelegd en dat de te veel
ontvangen uitkering van haar zal worden teruggevorderd. Bij besluit op
bezwaar van 14 mei 2002 (hierna: bestreden besluit 1) heeft gedaagde appellantes
bezwaren tegen het besluit van 6 februari 2001 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 12 april 2001 heeft gedaagde de ten onrechte aan
appellante uitbetaalde Anw-uitkering ad ƒ 11.578,83 van haar
teruggevorderd en heeft hij appellante een boete van ƒ 1.800,- opgelegd
wegens het niet naar waarheid beantwoorden van vragen van gedaagde met
betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding. Bij besluit
op bezwaar van 10 januari 2002 (hierna: bestreden besluit 2) heeft
gedaagde het bezwaarschrift van appellante gegrond verklaard voorzover
betrekking hebbend op de boete en heeft hij het besluit van 12 april
2001 in zoverre herroepen. De namens appellante gemaakte bezwaren tegen
de terugvordering zijn door gedaagde ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank met betrekking tot
bestreden besluit 1 tot het oordeel gekomen dat gedaagde terecht met
toepassing van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw de
nabestaandenuitkering van appellante per april 1999 heeft herzien en
verlaagd naar 50% van het nettominimumloon, alsmede dat van bijzondere
omstandigheden in verband waarmee gedaagde van gehele of gedeeltelijke
herziening had moeten afzien, niet is gebleken. Ten aanzien van
bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding
is te twijfelen aan de juistheid van de hoogte van het
terugvorderingsbedrag en dat in de namens appellante aangevoerde
argumenten geen dringende reden kan worden gevonden die gedaagde had
moeten nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren dat zij steeds aan haar
inlichtingenverplichting heeft voldaan en dat het onjuist invullen van
het aanvraagformulier te wijten is aan de onduidelijke vraagstelling en
aan een gebrek aan informatie en onderzoek van de zijde van gedaagde.
Ten onrechte heeft gedaagde geen dringende reden aanwezig geacht om
geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, nu appellante - mede door gebrek aan informatie van de zijde van gedaagde
- in de
jaren 1996 tot 2000 een persoonsgebonden budget ten behoeve van de
verzorging van haar gehandicapte broer is misgelopen. Gedaagde had
daarin aanleiding moeten vinden om de herziening en de terugvordering
vanaf een later tijdstip te doen plaatsvinden. Ter zitting van de Raad
heeft de gemachtigde van appellante de vraag opgeworpen, of het bij de
Raad aanwezige procesdossier wel compleet is.
Met betrekking tot dit laatste overweegt de Raad het volgende.
De onderhavige gedingen zijn bij de Raad met enige vertraging in
behandeling genomen als gevolg van het feit dat het beroepschrift,
waarvan de gemachtigde van appellante heeft aangetoond dat het op 16 mei
2003 bij de postkamer van de Dienst Facilitair & Financiën van het
arrondissement Utrecht is ingekomen, destijds kennelijk in het ongerede
is geraakt en eerst in december 2003, nadat de gemachtigde daaromtrent
navraag had gedaan, bij de Raad als hoger beroepszaak is ingeschreven.
De Raad constateert dat de door appellantes gemachtigde ter zitting
genoemde stukken in het dossier aanwezig zijn. Door de gemachtigde van
gedaagde is bij die gelegenheid verklaard dat de Sociale
verzekeringsbank afschriften van de namens appellante in hoger beroep
ingezonden stukken heeft ontvangen. De stukken die betrekking hebben op
de procedure bij de rechtbank zijn op grond van artikel 8:39 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) reeds door de rechtbank aan partijen
verstrekt en worden daarom door de Raad niet nogmaals toegezonden.
Verwezen wordt dienaangaande naar de brief aan de gemachtigde van
appellante van 20 januari 2005.
Met betrekking tot bestreden besluit 1 stelt de Raad vast dat gedaagde
als gevolg van een onjuist ingevuld aanvraagformulier aan appellante een
te hoge nabestaandenuitkering heeft toegekend. Artikel 34, eerste lid,
aanhef en onder a, van de Anw brengt mee dat gedaagde in zo’n geval - ook indien sprake is van een vergissing van de belanghebbende bij
het verstrekken van inlichtingen - verplicht is het toekenningsbesluit
te herzien. Het tweede lid van deze bepaling voegt daaraan toe dat
geheel of gedeeltelijk van herziening kan worden afgezien indien
daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Ten aanzien van een herziening
van het recht op uitkering met terugwerkende kracht ten nadele van de
verzekerde heeft gedaagde een beleid vastgesteld, waarbij rekening is
gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en
rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat gedaagde
niet tot herziening of intrekking met volledig terugwerkende kracht
overgaat als de verzekerde al zijn verplichtingen is nagekomen en hij
voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte of
tot een te hoog bedrag werd verleend. In een dergelijk geval wordt de
uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht herzien. Voorts wordt
met toepassing van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van
herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval
leiden tot het oordeel dat een volledig terugwerkende kracht onredelijk
is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid
hecht gedaagde belang aan:
- de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan gedaagde een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin de herziening met volledig terugwerkende kracht en de
hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het
dagelijkse leven van de belanghebbende.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat aan appellante het verwijt
kan worden gemaakt dat zij gedaagde niet tijdig in kennis heeft gesteld
van het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerde op het moment
van haar aanvraag. Uit het haar met het toekenningsbesluit van 7 juli
1999 toegezonden “Overzicht van verplichtingen” had zij kunnen en
moeten begrijpen dat die omstandigheid van belang was voor haar recht op
nabestaandenuitkering en had het haar redelijkerwijs duidelijk kunnen
zijn dat de uitkering op een te hoog bedrag was vastgesteld. De Raad kan
appellante niet volgen in haar grief dat het aanvraagformulier niet
helder is geformuleerd alsook dat gedaagde in gebreke is gebleven bij
het verstrekken van informatie en het instellen van een onderzoek.
Indien de vragen op het formulier voor appellante niet geheel duidelijk
waren, had het op haar weg gelegen gedaagde ter zake om een toelichting
te vragen. De Raad wijst er voorts op dat er voor gedaagde ten tijde van
de aanvraag geen aanleiding was een onderzoek te verrichten naar de
woonsituatie, nu appellante op het formulier had aangegeven de
huisvesting niet met iemand anders te delen. In het onderhavige geval
kan gedaagde derhalve geen verwijt worden gemaakt. Naar het oordeel van
de Raad is dan ook geen sprake van kennelijke onredelijkheid als
hierboven bedoeld, zodat gedaagde de nabestaandenuitkering van
appellante terecht met volledig terugwerkende kracht heeft herzien.
De Raad dient vervolgens ten aanzien van bestreden besluit 2 te
beoordelen of zich in dit geval een dringende reden voordoet om van
terugvordering - geheel of gedeeltelijk - af te zien. Blijkens de
wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen in de zin van artikel 53,
vierde lid, van de Anw slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van
sociale en/of financiële consequenties voor de betrokkene. Daarbij moet
het gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en
uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van
alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De Raad onderschrijft het
oordeel van de rechtbank dat de late toekenning van een persoonsgebonden
budget aan appellante los staat van haar aanspraken op
nabestaandenuitkering en bij een zodanige afweging geen rol kan spelen.
De Raad constateert voorts dat, blijkens het verslag van de hoorzitting
van 28 december 2001, appellante op dat moment het teruggevorderde
bedrag volledig aan gedaagde had terugbetaald, waarvoor gebruik was
gemaakt van het inmiddels toegekende persoonsgebonden budget. Van één
of meer onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor
betrokkene als evenbedoeld is derhalve geen sprake.
Gelet op het vorenoverwogene kan het hoger beroep van appellante niet
slagen, zodat de aangevallen uitspraak in haar beide onderdelen voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J.
Simon en mr. G.J.H. Doornewaard als leden in tegenwoordigheid van M.
Gunter als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M. Gunter.
|
|