|
Uitspraak
04/3611 ANW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[opposante], wonende in Turkije, opposante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 19 november 2004 het namens opposante
ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van haar gegeven uitspraak
van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2004, nummer AWB 02/5122 ANW,
niet-ontvankelijk verklaard wegens het onverontschuldigbaar niet tijdig
indienen van de beroepsgronden.
Tegen die uitspraak heeft M. Sevim, als attaché werkzaam bij het
Consulaat – Generaal van de Republiek Turkije te Rotterdam, namens
opposante een verzetschrift ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 april
2005, waar opposante is verschenen bij gemachtigde en geopposeerde zich
- met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te
beantwoorden of de bij zijn uitspraak van 19 november 2004 uitgesproken
niet-ontvankelijkverklaring in stand kan blijven. De Raad beantwoordt
die vraag ontkennend.
In haar (hoger) beroepschrift heeft opposante wat de motivering van haar
hoger beroep betreft verwezen naar ten eerste de inhoud van haar bij de
rechtbank ingediende beroepschrift, zulks onder aantekening dat de
inhoud daarvan als herhaald en ingelast kan gelden, en vervolgens
gesteld dat zij blijft bij haar standpunt dat het primaire besluit in
strijd met verschillende verdragen is. Opposante heeft bij haar (hoger)
beroepschrift geen afschrift van het door haar bij de rechtbank
ingediende beroepschrift gevoegd. Gegeven dat opposante in haar (hoger)
beroepschrift tevens heeft gesteld dat zij blijft bij haar standpunt dat
het primaire besluit in strijd met verschillende verdragen is én dat
uit de door opposante wél in afschrift bijgevoegde aangevallen
uitspraak duidelijk naar voren komt waarom zij dat - door de rechtbank
met een uitgebreide motivering niet gedeelde - standpunt huldigt, is
de Raad evenwel van oordeel dat er onvoldoende grond was om opposante
(kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren.
Uit het vorenstaande volgt dat het namens opposante gedane verzet
gegrond dient te worden verklaard.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:55, zevende lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervalt de uitspraak waartegen verzet
is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich
bevond.
Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals
hierna in rubriek III is aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|