|
Uitspraak
03/4643 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden,
voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. C.C.A. Stallen, advocaat te Woerden, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11
augustus 2003, reg.nr. 03/77 ANW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 mei 2005, waar appellante in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Stallen, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam
bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellante ontving vanaf 1964 een uitkering ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, welke uitkering in verband met de inwerkingtreding
op 1 juli 1996 van de Algemene nabestaandenwet (Anw) is omgezet in een
uitkering op grond van die wet. Met ingang van 1 januari 1998 zijn
Anw-gerechtigden die een gezamenlijke huishouding voeren gelijkgesteld
met gehuwden. Naar aanleiding van de mededeling van appellante op het
formulier Onderzoek samenwonen Anw-gerechtigden van 30 augustus 1997,
dat zij sinds 1986 samenwoont met [betrokkene], is de hoogte van haar
uitkering met toepassing van het overgangsrecht bij besluit van 13
november 1997 verminderd tot 30 % van het minimumloon. Na de mededeling
van appellante op het wijzigingsformulier van 7 december 1997, dat zij
per 31 december 1997 niet meer samenwoont, is het besluit van 13
november 1997 komen te vervallen en heeft gedaagde de
nabestaandenuitkering - opnieuw - vastgesteld op 70% van het
minimumloon. Naar aanleiding van de opgave van appellante in het op 14
december 2000 aan de balie van gedaagde afgegeven
inkomensopgaveformulier, dat [betrokkene] vanaf 1986 op haar adres
woont, heeft gedaagde een nader onderzoek ingesteld naar de woon- en
leefsituatie van appellante en [betrokkene]. Op grond van de bevindingen
van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport
van 15 februari 2001, is geconcludeerd dat appellante en [betrokkene]
zowel op 1 juli 1996 als op 31 december 1997 een gezamenlijke
huishouding voerden, en is bij besluit van 9 maart 2001 het recht van
appellante op een Anw-uitkering met ingang van 1 januari 1998 wederom
verlaagd tot 30% van het minimumloon.
Bij besluit van 4 december 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 9 maart 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 4 december 2002 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante en [betrokkene] op 1
juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerden, maar appellante ontkent
dat dit ook op 31 december 1997 het geval is geweest. Evenals de
rechtbank en gedaagde is de Raad echter van oordeel dat op grond van de
beschikbare gegevens, zoals die zijn neergelegd in het rapport van 15
februari 2001 en een aanvullend rapport van 17 januari 2002,
geconcludeerd moet worden dat [betrokkene] op 31 december 1997 zijn
hoofdverblijf had in de woning van appellante. De Raad wijst hiertoe met
name op de door een broer van appellante en door een buurtbewoner
tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaringen, alsmede op
hetgeen [betrokkene] zelf op de hoorzitting in het kader van de
bezwaarschriftenprocedure bij gedaagde heeft verklaard. Voorts vindt
deze conclusie steun in het feit dat [betrokkene] bij diverse instanties
geregistreerd stond op het adres van appellante.
Nu appellante en [betrokkene] allebei hun hoofdverblijf hadden in de
woning van appellante én op 8 januari 1982 uit hun relatie een kind is
geboren, levert dit op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder
b, van de Anw het onweerlegbaar rechtsvermoeden op dat ten tijde hier in
geding sprake was van een gezamenlijke huishouding. Volledigheidshalve
overweegt de Raad in dit verband dat op grond van de ter beschikking
staande stukken niet is gebleken dat de gezamenlijke huishouding werd
gevoerd ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende als bedoeld
in artikel 1, aanhef en onder j, van de Anw.
In strijd met de ingevolge artikel 35 van de Anw op haar rustende
inlichtingenplicht heeft appellante niet onverwijld, maar pas in
december 2000 in het inkomensopgaveformulier aan gedaagde meegedeeld dat
[betrokkene] bij haar is blijven wonen. Dit heeft ertoe geleid dat aan
appellante een te hoog bedrag aan uitkering is verleend, zodat gedaagde,
behoudens dringende redenen om daarvan af te zien, het besluit tot
toekenning van uitkering met ingang van 1 januari 1998 diende te
herzien.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd
dat gedaagde met de herziening per 1 januari 1998 heeft gehandeld in
strijd met het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel.
Appellante en [betrokkene] zijn met de landelijke mailing van maart
1996, met de bijlage bij het besluit van 13 november 1997 en bij het
bezoek aan de balie van [betrokkene] in december 1997 door gedaagde geďnformeerd
over de gevolgen van het voeren van een gezamenlijke huishouding voor
het recht op een Anw-uitkering. De Raad heeft in de ter beschikking
staande gegevens geen aanknopingspunten gevonden die de stelling van
appellante, dat medewerkers van de Sociale verzekeringsbank haar hebben
geadviseerd te handelen zoals zij heeft gedaan, onderbouwen. De Raad kan
voorts het standpunt van appellante dat de uitkering niet met
terugwerkende kracht mag worden herzien, omdat gedaagde de gebruikelijke
jaarlijkse controles niet heeft uitgevoerd, niet volgen, nu appellante
zelf op grond van artikel 35 van de Anw verplicht is om uit eigen
beweging voor het recht op uitkering relevante inlichtingen te
verstrekken. Overigens is er in 1998 wel een onderzoek geweest en heeft
appellante op het inkomensopgaveformulier van november 1998 geen
mededeling gedaan van het hoofdverblijf van [betrokkene] in haar woning.
Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om van
herziening af te zien is de Raad niet gebleken. Met name een financieel
problematische situatie waarin appellante zou kunnen komen te verkeren
in geval van terugvordering van de teveel betaalde nabestaandenuitkering
en haar psychische problematiek kunnen niet als dringende redenen in de
zin van artikel 34, tweede lid, van de Anw worden aangemerkt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2005.
(get.) R.M. van Male.
(get.) R.C. Visser.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|