|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4797 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. E. Hermsen, advocaat te Veldhoven, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15
augustus 2003, reg.nr. 2003/444 ANW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 mei 2005, waar appellant en
mr. Hermsen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans,
werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving sedert april 1996 een pensioen ingevolge de Algemene
Weduwen en Wezenwet, welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Naar aanleiding van een bij gedaagde binnengekomen anonieme tip, onder
meer inhoudende dat appellant samenwoont met [betrokkene], heeft de
sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank een onderzoek
ingesteld naar het recht van appellant op uitkering. In dat kader is
administratief onderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij
diverse instanties, en zijn [betrokkene] en twaalf getuigen gehoord.
Appellant heeft niet aan een verhoor willen meewerken.
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek, die zijn neergelegd in
een proces-verbaal van 13 mei 2002 en een rapport van 16 mei 2002, heeft
gedaagde bij besluit van 6 juni 2002 het recht van appellant op
Anw-uitkering met ingang van 31 oktober 1998 beëindigd (lees:
ingetrokken) op de grond dat appellant vanaf die datum een gezamenlijke
huishouding is gaan voeren met [betrokkene].
Het tegen het besluit van 6 juni 2002 gemaakte bezwaar is bij besluit
van 17 maart 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 17 maart 2003 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of
gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellant en [betrokkene] vanaf 31
oktober 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze vraag
dient beantwoord te worden aan de hand van artikel 3, derde lid, van de
Anw. Ingevolge deze bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake
indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij
blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot
het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven
van betrokkenen en de aard van onderlinge relatie niet van belang.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn
hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beoordeeld aan
de hand van concrete feiten en omstandigheden. Uit de gedingstukken
blijkt dat appellant en [betrokkene] ten tijde in geding stonden
ingeschreven op verschillende adressen. Aan het criterium van het hebben
van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien
ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte toch een feitelijke
situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen
wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van
de woning wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden
gesproken.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken een
toereikende grondslag bieden voor het standpunt van gedaagde dat
appellant en [betrokkene] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden
in dezelfde woning. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen
op de inhoud van de door [betrokkene] ten overstaan van de sociale
recherche afgelegde en door haar ondertekende verklaring.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de
wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van
financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het
uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien
van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is
gebleken kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om
aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een
afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het
antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet
geval is voldaan.
Naar het oordeel van de Raad is ook aan het tweede criterium voldaan.
Ook in dit verband komt zwaarwegende betekenis toe aan de hiervoor
genoemde verklaring van [betrokkene]. Zo heeft [betrokkene] onder meer
verklaard dat zij vanaf oktober 1998 strijkt en kookt voor appellant,
dat zij elkaar sedert oktober 1998 tijdens ziekte verzorgen en dat zij
samen met vakantie zijn gegaan. Bovendien zijn [betrokkene] en haar zoon
destijds door appellant als begunstigden in diens testament aangewezen
en is sprake van een ongevallenpolis van [betrokkene] waarop appellant
als partner is vermeld. Ten slotte is gebleken dat op appellant en op
[betrokkene] hypothecaire verplichtingen rusten, verbonden aan de woning
Concordiahof 27 in Ittervoort, en dat in verband daarmee een op beider
naam afgesloten gemengde levensverzekering tot zekerheid in pand is
gegeven.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de verklaring van
[betrokkene], zoals opgetekend door de sociaal rechercheurs, niet
overeenstemt met hetgeen zij heeft gezegd en dat zij die verklaring
onder druk heeft ondertekend. De Raad ziet echter geen aanleiding in dit
geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van
een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring mag worden
uitgegaan en dat aan een latere intrekking daarvan geen doorslaggevende
betekenis kan worden toegekend. Dat [betrokkene] haar verklaring onder
ontoelaatbare druk heeft afgelegd dan wel dat de verklaring onjuist is
of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven, heeft appellant
niet aan de hand van objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk
gemaakt. [betrokkene] heeft iedere bladzijde van het proces-verbaal van
haar verhoor afzonderlijk ondertekend en daarbij geen voorbehoud
gemaakt. De Raad voegt daaraan toe dat de verklaring van [betrokkene] in
belangrijke mate spoort met en ondersteuning vindt in de overige
onderzoeksresultaten.
Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat appellant ten
tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde. Gelet op het
bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid in
verbinding met artikel 34, eerste lid, onder b, van de Anw, heeft
gedaagde de nabestaandenuitkering van appellante derhalve terecht met
ingang van 31 oktober 1998 ingetrokken.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw,
op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van intrekking kon
afzien, is de Raad niet gebleken.
Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen
uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van mr. P.C.
de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2005.
(get.) C. van Viegen.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|