|
Uitspraak
03/4637 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden,
voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. M. Kürble, advocaat te Groningen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4
september 2003, reg.nr. 02-666 ANW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en de Raad desgevraagd
nadere stukken gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 augustus 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Dijk,
kantoorgenoot van mr. Kürble, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank. Tevens is daar gehoord de door appellante meegebrachte
getuige [partner].
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 november 1994 een pensioen op grond van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996
is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw).
Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante zou samenwonen met
[partner] (hierna: [partner]) heeft de sociale recherche van gedaagde in
samenwerking met het Samenwerkingsverband Sociale Recherche
Oost-Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan
appellante verleende nabestaandenuitkering. In dat kader is
dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is diverse
instanties om inlichtingen verzocht, is een huisbezoek aan de woning van
[partner] gebracht, zijn appellante en [partner] gehoord en zijn diverse
getuigen verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in
een rapport van 4 april 2001. De onderzoeksresultaten zijn voor gedaagde
aanleiding geweest om bij besluit van 17 mei 2001 het recht op
nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 te herzien. De
besluitvorming berust op de overweging dat appellante op 1 juli 1996 en
op 31 december 1997 in haar woning een gezamenlijke huishouding heeft
gevoerd met [partner].
Bij besluit van 4 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit
van 17 mei 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 4 juni 2002 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij
stelt zich op het standpunt dat zij met [partner] geen gezamenlijke
huishouding heeft gevoerd en dat ten tijde in geding sprake was van een
commerciële kostgangersrelatie. Appellante heeft voorts verzocht
gedaagde te veroordelen tot vergoeding van geleden schade.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het herzieningsbesluit ziet op de toepassing van artikel 67, derde lid,
van de Anw. Ingevolge de eerste volzin van deze bepaling moet worden
onderzocht of appellante een persoon is die op 1 juli 1996 en ook nog op
31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde anders dan ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die
met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond
van het derde lid van dat artikel is van een gezamenlijke huishouding
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante en [partner] op 1 juli
1996 en 31 december 1997 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, te
weten op 1 juli 1996 de woning van [partner] aan de [adres 1] te
[woonplaats 2] en op 31 december 1997 de woning van appellante aan de
[adres 2] te [woonplaats].
Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of voldaan is aan het
criterium van wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde
mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder
gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee
samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of
slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en
omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in
elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van
betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve
aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het
verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde
gegevens tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat appellante en
[partner] ten tijde in geding ook aan het criterium van wederzijdse
verzorging voldeden en dat, anders dan appellante heeft gesteld, van een
kostgangersrelatie geen sprake was. De Raad kan zich met hetgeen de
rechtbank dienaangaande heeft overwogen verenigen en neemt deze
overwegingen over. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd,
geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.
Uit het voorgaande volgt dat appellante op 1 juli 1996 en op 31 december
1997 met [partner] een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in
artikel 3, derde lid, van de Anw. Gedaagde heeft dan ook terecht het
standpunt ingenomen dat appellante een persoon was als bedoeld in
artikel 67, derde lid, eerste volzin, van de Anw.
Gelet op het voorgaande en op artikel 34, eerste lid, van de Anw, diende
gedaagde het recht op nabestaandenuitkering van appellante met ingang
van 1 januari 1998 te herzien.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw,
op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van herziening kon
afzien, is de Raad niet gebleken.
Nu voorts niet is gebleken dat de gezamenlijke huishouding van
betrokkenen voor 1 juli 1998 was beëindigd, was er voor gedaagde geen
aanleiding de nabestaandenuitkering van appellante met toepassing van
artikel 67, derde lid, tweede volzin, van de Anw te verhogen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Gelet daarop dient het verzoek van appellante om gedaagde tot
schadevergoeding te veroordelen te worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van
R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.C. Visser.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|