|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4608 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14
juli 2004, reg.nr. 03/1004 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 augustus 2005, waar
appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.
II. MOTIVERING
Appellant is op 4 januari 1988 gehuwd met [naam partner], welk huwelijk
op 28 juli 1999 door echtscheiding is geëindigd. Op 5 december 2002 is
[naam partner] overleden. Naar aanleiding van dit overlijden heeft
appellant op 12 december 2002 een aanvraag om uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet (Anw) bij gedaagde ingediend. Bij besluit van
29 januari 2003, gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2003 (hierna:
het bestreden besluit) heeft gedaagde afwijzend beslist op de aanvraag
om een nabestaandenuitkering. Daarbij is overwogen dat appellant met
[naam partner] geen gezamenlijke huishouding meer voerde en dat deze
niet verplicht was aan hem alimentatie te betalen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat vanaf het moment van
echtscheiding op grond van een onderlinge overeenkomst sprake was van
een juridische verplichting tot alimentatiebetaling. De formele eis
waaraan nu wordt vastgehouden - te weten vastlegging van de verplichting
tot betaling van alimentatie in een uitspraak of akte zoals in de wet
omschreven - ontkracht zijns inziens de bedoeling van de wet. In
appellants situatie pakt strikte toepassing van de wet onevenredig zwaar
en onrechtvaardig uit.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 4 van de Anw bepaalde ten tijde in geding dat onder nabestaande
mede wordt verstaan de gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde,
indien:
a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en
b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden
verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst,
vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een
advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op
grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; en
c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht
op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats
zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan
door de dood.
De Raad overweegt dat appellant slechts bij wege van gelijkstelling
ingevolge artikel 4 van de Anw als nabestaande zou kunnen worden
aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor die gelijkstelling
slechts dan voldoende grondslag aanwezig geacht, indien er ten tijde van
het overlijden sprake was van economische afhankelijkheid, tot
uitdrukking komend in een financiële band tussen de overledene en de
ex-echtgenoot, welke op zijn beurt was vastgelegd in een uitspraak of
akte als in de wet omschreven. Aan deze voorwaarde - de vastlegging in
een uitspraak of akte - is in de situatie van appellant - onbetwist - niet
voldaan. Blijkens de wetsgeschiedenis is deze voorwaarde opgenomen om
misbruik van de regeling te voorkomen. Ook wordt het hierdoor mogelijk
voor de Sociale verzekeringsbank de hoogte van de uitkering tot
levensonderhoud vast te stellen. Dit is noodzakelijk voor de
vaststelling van de hoogte van de nabestaandenuitkering op grond van
artikel 17 van de Anw.
Dat het in het onderhavige geval om verschillende redenen niet meer is
gekomen van notariële vastlegging van de alimentatieverplichting, acht
de Raad, hoezeer hij ook begrip heeft voor de situatie waarin appellant
verkeerde, een omstandigheid die voor rekening en risico van appellant
dient te komen.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat het hier de toepassing van een
bepaling van een wet in formele zin betreft, en dat de Raad zich in
constante rechtspraak heeft aangesloten bij het oordeel van de Hoge
Raad, inhoudende dat artikel 120 Grondwet (mede) een verbod inhoudt om
de wet (in formele zin) te toetsen aan algemene rechtsbeginselen (HR 14 april 1989, AB 1989, 207, Harmonisatiewetarrest). Van "niet
door de wetgever verdisconteerde omstandigheden", welke volgens
diezelfde rechtspraak aanleiding zouden kunnen vormen strikte
wetstoepassing achterwege te laten, is in het onderhavige geval ook niet
gebleken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2005.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M. Gunter.
|
|