|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1659 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.J.H.S. [partner], advocaat te Maastricht,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht
van 16 februari 2004, reg.nr. 03/1519 ANW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 augustus 2005, waar appellante
met kennisgeving niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 1 juli 1985 een pensioen ingevolge de Algemene
Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen vanaf 1 juli 1996 is omgezet in een
uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Naar aanleiding van een schriftelijk anonieme melding dat appellante zou
samenwonen met [partner] (hierna: [partner]) heeft de sociale recherche
van gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan
appellante verleende uitkering. In dat kader is dossieronderzoek gedaan
en zijn appellante en [partner] gehoord. Ook zijn onder meer als
getuigen gehoord [schoondochter], schoondochter van appellante, [buurvrouw], een buurvrouw. De bevindingen van dat onderzoek zijn
neergelegd in een rapport van 18 februari 2003.
De onderzoeksresultaten zijn voor gedaagde aanleiding geweest om bij
besluit van 25 februari 2003 het recht op de nabestaandenuitkering van appellante
per 31 maart 2000 te beëindigen (lees: in te trekken). De
besluitvorming berust op de overweging dat appellante sedert maart 2000,
zonder daarvan aan gedaagde mededeling te hebben gedaan, een
gezamenlijke huishouding voert met [partner].
Bij besluit van 9 september 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 25 februari 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 9 september 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of
gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellante en [partner] sedert
maart 2000 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze vraag dient
beantwoord te worden aan de hand van artikel 3, derde lid, van de Anw.
Op grond van deze bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake
indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij
blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Appellante en [partner] stonden ten tijde hier van belang ingeschreven
op verschillende woonadressen. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen,
hoeft het aanhouden van afzonderlijke woonruimte op zich aan het hebben
van hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg te staan. In dat
geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks
toch een situatie van feitelijke samenwoning bestaat doordat slechts een
van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel
doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt
gemaakt, dat feitelijk van samenwonen moet worden gesproken.
De Raad is op grond van de afgelegde verklaringen van appellante en
[partner] van oordeel dat is komen vast te staan dat in de periode van
20 maart 2000 tot en met 17 maart 2002 appellante en [partner] tezamen afwisselend verbleven in
[woonplaats] aan de [adres 1], de woning van appellante, en aan de
[adres 2], de woning van [partner].
Wat de periode na 17 maart 2002 betreft, moet worden vastgesteld dat
[partner] stond ingeschreven aan het adres [adres 3] te [woonplaats],
waar ook staan ingeschreven [dochter], de dochter van appellante, en
[schoondochter]. Uit de verklaring van appellante, [partner] en
[schoondochter] en de getuige [buurvrouw], kan niet anders worden
geconcludeerd dan dat [partner] na een kortstondig verblijf op de [adres
3], zijn hoofdverblijf doorlopend heeft gehad in de woning van
appellante aan de [adres 1].
Bovengenoemde verklaringen bieden een toereikende grondslag voor de
vaststelling dat aan het huisvestingscriterium is voldaan.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de
wederzijdse zorg.
Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling
tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van
woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een
zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate
sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om
aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.
Een afweging van alle ten aanzien van de betrokkenen gebleken feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend
zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse
zorg in een concreet geval is voldaan.
Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een
toereikende grondslag voor de vaststelling dat ook aan het zorgcriterium is voldaan.
De Raad neemt daarbij over hetgeen terzake door de rechtbank is
overwogen. Hetzelfde geldt voor het door de rechtbank ingenomen
standpunt betreffende de door appellante gestelde commerciële relatie
tussen haar en [partner].
Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar verklaring en die van
[partner] afgelegd zijn onder misbruik van omstandigheden waarmee
kennelijk is bedoeld dat de verklaringen onder druk zouden zijn
afgelegd. Dat appellante en [partner] hun verklaringen onder
ontoelaatbare druk hebben afgelegd dan wel dat de verklaringen onjuist
zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, heeft
appellante niet aan de hand van objectieve, verifieerbare gegevens
aannemelijk gemaakt. Appellante heeft iedere bladzijde van het
proces-verbaal van haar verhoor afzonderlijk na voorlezing ondertekend
en daarbij geen voorbehoud gemaakt. De Raad voegt daaraan toe dat de
verklaring van appellante in belangrijke mate spoort met en
ondersteuning vindt in de overige onderzoeksresultaten.
Gelet op het vorenoverwogene komt de Raad evenals de rechtbank tot de
conclusie dat appellante ten tijde in geding een gezamenlijke
huishouding voerde.
Gelet op het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en
tweede lid in verbinding met artikel 34, eerste lid, onder a, van de
Anw, heeft gedaagde derhalve terecht met ingang van 1 april 2000 het
recht op nabestaandenuitkering van appellante ingetrokken.
Van dringende reden als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw,
op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk van intrekking kon
afzien, is de Raad niet gebleken.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk als voorzitter, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20
september 2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie in stellen bij de Hoge Raad der
Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van
schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip
gezamenlijke huishouding.
|
|