|
Uitspraak
03/4012 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 1 juli 2003, nummer 02/3045 ANW, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellantes
gemachtigde heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 september 2005,
waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar
namens gedaagde is verschenen H.J.M. de Wit, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
(Anw), die sedert 1 januari 1998 inkomensafhankelijk is. Vanaf
laatstgenoemde datum heeft gedaagde op appellantes Anw-uitkering een
korting toegepast in verband met de door haar ontvangen uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Nadat uit door appellante omstreeks januari 1999 ingezonden
inkomensgegevens was gebleken dat appellantes WAO-uitkering hoger was
dan waarvan gedaagde bij de vaststelling van de korting was uitgegaan,
heeft gedaagde appellantes Anw-uitkering per 1 januari 1999 herzien.
Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellantes
inkomsten over 1998 hoger waren dan volgens gedaagdes administratie, is
begin 2000 een onderzoek gestart naar appellantes inkomsten. In dat
kader zijn zowel bij appellante als bij Cadans, de uitvoeringsinstelling
die appellantes WAO-uitkering uitbetaalt, inlichtingen opgevraagd. Dit
heeft geleid tot een - aanvankelijk onjuiste maar later gecorrigeerde - herziening van appellantes Anw-uitkering en een terugvordering van
het te veel betaalde. Deze beslissingen zijn inmiddels in rechte komen
vast te staan.
Een door appellante in december 2000 ingezonden inkomensopgaveformulier
heeft voor gedaagde aanleiding gevormd om in augustus 2001 bij Cadans
inlichtingen in te winnen omtrent de hoogte van appellantes
WAO-uitkering vanaf 1 januari 1999. Naar aanleiding van de door Cadans
verstrekte gegevens heeft gedaagde appellantes Anw-uitkering bij besluit
van 20 november 2001 over de periode van januari 1999 tot en met oktober
2001 herzien. Bij het bestreden besluit van 24 mei 2002 is dit besluit
na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde verklaard dat
gedaagde het bestreden besluit niet meer ten volle handhaaft. Gedaagde
stelt zich nader op het standpunt dat over de periode van januari 1999
tot en met maart 2000 appellantes uitkering terecht met terugwerkende
kracht is herzien, doch dat een herziening over de periode april 2000
tot en met oktober 2001 als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt
en daarom over die periode tot de helft moet worden teruggebracht.
De Raad stelt vast dat reeds op deze grond het bestreden besluit moet
worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit
in stand is gelaten. Ten aanzien van het thans door gedaagde ingenomen
standpunt overweegt de Raad als volgt.
Met de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de Anw-uitkering van
appellante vanaf 1 januari 1999 tot een te hoog bedrag tot uitbetaling
is gekomen. Blijkens de opgave van Cadans was appellantes uitkering
hoger dan waarvan gedaagde bij de vaststelling van de korting is
uitgegaan. Gedaagdes herberekening van de Anw-uitkering is gebaseerd op
deze gegevens van Cadans. Door of namens appellante zijn geen gegevens
aangedragen die aanleiding geven die gegevens dan wel gedaagdes
berekening onjuist te achten.
Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de
Raad op dat uit artikel 34, eerste lid, van de Anw volgt dat indien de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, gedaagde
gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken.
Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie van
Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden
(TK, 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de memorie van antwoord aan de Eerste
Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel wordt
aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak
inhoudend dat herziening/intrekking van een uitkering niet is toegestaan
tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op uitkering
had (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114b).
Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat appellant niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. Voorts wordt met toepassing van
artikel 3:4 Awb geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de
bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een
volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de
beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht gedaagde
belang aan:
- de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan gedaagde een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de
hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het
dagelijkse leven van de belanghebbende. De Raad heeft al eerder
geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige
geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel,
waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van
rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellante
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij te veel uitkering ontving. Het
was haar bekend dat haar Anw-uitkering afhankelijk was van de hoogte van
haar WAO-uitkering. Tevens kon haar duidelijk zijn dat de bedragen
waarvan gedaagde uitging bij de berekening van haar Anw-uitkering lager
waren dan het bedrag aan WAO-uitkering dat haar feitelijk toekwam. De
stelling van appellantes gemachtigde dat appellante geen zicht had op de
hoogte van haar WAO-uitkering nu zij tevens een ABP-uitkering ontving,
vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen, reeds omdat uit de
zich onder de gedingstukken bevindende giroafschriften van appellante
blijkt dat deze uitkeringen apart werden uitbetaald en het brutobedrag
van appellantes WAO-uitkering op die afschriften vermeld werd.
Bij zijn toets of de terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is, heeft
gedaagde een splitsing aangebracht tussen de periode van januari 1999
tot en met maart 2000, voor welke periode gedaagde naar zijn oordeel
geen verwijt treft, en van april 2000 tot en met oktober 2001, waarin
gedaagde naar eigen oordeel gegevens ter beschikking had op grond
waarvan nader onderzoek aangewezen was. De Raad kan gedaagde hierin niet
volgen. Het was gedaagde reeds vanaf eind 1997 bekend dat appellante een
WAO-uitkering ontving. Het kon gedaagde voorts bekend zijn dat deze
uitkering - evenals de Anw-uitkering - periodiek wordt verhoogd. Het
had op gedaagdes weg gelegen met enige regelmaat gegevens op te vragen
waaruit de hoogte van de uitkering zou blijken. De Raad voegt daar nog
aan toe dat appellante bij het haar in januari 2000 toegezonden en door
haar geretourneerde inkomensopgaveformulier een giroafschrift heeft
gevoegd waaruit de hoogte van haar WAO-uitkering exact blijkt. Zij
ontving over januari 1999 f 1966,65 bruto uitkering plus f 45,36
overhevelingstoeslag, tezamen f 2012,01, over 21 uitkeringsdagen. De
enige wijziging die gedaagde voor de berekening van appellantes inkomen
in dit bedrag heeft aangebracht, is omzetting naar een uitkeringsbedrag
over 21,75 dagen in verband met de toepassing van artikel 8 van het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw. De Raad kan dan ook niet anders
constateren dan dat gedaagde aanvankelijk alle gegevens voorhanden had
om tot een juiste vaststelling van appellantes uitkering te komen en in
een latere fase daarnaar onvoldoende onderzoek heeft gedaan door geen
inlichtingen in te winnen omtrent de periodieke verhogingen van
appellantes uitkering.
Gedaagde treft derhalve ook over de periode van januari 1999 tot en met
maart 2000 een ernstig verwijt. Zoals gedaagde bij herhaling heeft
medegedeeld, wordt appellante niet verweten dat zij de periodieke
verhoging van haar uitkering niet binnen vier weken aan gedaagde heeft
gemeld, welke verplichting ten aanzien van andere wijzigingen in het
inkomen wel geldt. Nu gedaagde heeft geoordeeld dat de afweging van
verwijtbaarheid aan de zijde van gedaagde en appellante voor de periode
van april 2000 tot en met oktober 2001 leidt tot een beperking van de
herziening van appellantes Anw-uitkering met de helft, komt het de Raad
voor dat deze beperking, gelet op het door gedaagde gevoerde beleid,
evenzeer dient te gelden voor de periode van januari 1999 tot en met
maart 2000.
Ook op deze grond kunnen het bestreden besluit, voorzover door gedaagde
gehandhaafd, wegens strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) en de aangevallen uitspraak geen stand houden.
Gedaagde dient een nieuw besluit te nemen op appellantes bezwaar.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste
aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor
verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door de Sociale
verzekeringsbank aan de griffier van de Raad, en in hoger beroep tot een
bedrag groot € 322,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde
recht van € 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|