|
Uitspraak
04/6531 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad
van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit
die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale
Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan
de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 13 oktober
2004, nr. 04/472 ANW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 oktober 2005,
waar voor appellante is verschenen haar zoon, [naam zoon], en waar
namens gedaagde is verschenen A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellante ontving een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen en
Wezenwet (AWW) van gedaagde, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996
van rechtswege is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet (Anw). Voor appellante, als ex AWW-gerechtigde,
is de nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 (deels)
inkomensafhankelijk geworden.
Op 24 maart 2002 heeft appellante - die inkomsten uit twee wachtgelden
genoot, te weten van het ABP en van het USZO - middels een
wijzigingsformulier aan gedaagde medegedeeld dat met ingang van 1 juni
2001 haar wachtgelduitkering van de uitvoeringsinstelling USZO is
omgezet in een FPU-uitkering en dat ingaande 1 januari 2002 die
FPU-uitkering is verhoogd. Gedaagde heeft daarop bij besluit van 31 juli
2002 de Anw-uitkering per 1 juni 2001 aangepast en aan appellante een
nabetaling gedaan van € 1.905,87 netto wegens te weinig ontvangen
Anw-uitkering.
Naar aanleiding van het door appellante ingezonden
inkomensopgaveformulier (met bijgevoegde uitkeringsspecificaties)
gedagtekend 9 november 2002, heeft gedaagde bij besluit van 5 november
2003 appellantes uitkering per 1 juni 2001 herzien en nader vastgesteld.
Bovendien is bij brief van dezelfde datum aan appellante bericht dat
gedaagde voornemens was het over de periode augustus 2002 tot en met
oktober 2003 teveel ontvangen bedrag van € 7.234,06 van appellante
terug te vorderen en dat, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel,
wordt afgezien van terugvordering over de periode juni 2001 tot en met
juli 2002 ten bedrage van € 6.639,27.
Appellante heeft in bezwaar tegen de herziening en de aangekondigde
terugvordering aangevoerd dat zij gedaagde altijd de juiste informatie
heeft verschaft en dat het te veel betaalde niet kenbaar voor haar was.
Zij verzoekt gedaagde de (eigen) beleidsregels toe te passen en (ook) af
te zien van terugvordering over de periode augustus 2002 tot en met
oktober 2003. Verder heeft appellante aangevoerd dat na een nader
telefoongesprek en schriftelijke informatie het haar wel duidelijk is
geworden dat haar uitkering onjuist was berekend.
Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2004 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellante voor zover die
gericht zijn tegen de aankondiging dat zal worden teruggevorderd
niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen het herzieningsbesluit
ongegrond verklaard.
In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat
zij zich niet bewust was dat zij teveel uitkering ontving en dat
gedaagde fouten heeft gemaakt. Gedaagde zou, evenals ten aanzien van de
periode juni 2001 tot en met juli 2002, ook van terugvordering moeten af
zien over de periode augustus 2002 tot en met oktober 2003.
De rechtbank heeft appellantes beroep ongegrond verklaard. Zij heeft in
de aangevallen uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat
appellantes grieven zich uitsluitend richten tegen de aankondiging van
gedaagde om tot terugvordering over te gaan, en heeft vervolgens
(alleen) de vraag beoordeeld of gedaagde bij het bestreden besluit
terecht appellantes bezwaar tegen de terugvordering niet-ontvankelijk
heeft verklaard.
Appellante is opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank.
De Raad overweegt het volgende.
Vastgesteld moet worden dat de rechtbank haar beoordeling heeft beperkt
tot de in het bestreden besluit vervatte niet-ontvankelijkverklaring van
het bezwaar tegen de aangekondigde terugvordering, omdat de grieven van
appellante zich uitsluitend daartegen zouden richten. De Raad kan dit
standpunt niet onderschrijven, nu namens appellante in ieder geval ter
zitting van de rechtbank een expliciet beroep is gedaan op het door
gedaagde gehanteerde beleid ten aanzien van herziening van besluiten met
terugwerkende kracht. Hoewel namens appellante ook in dit kader steeds
wordt gesproken over de terugvordering kan deze verwijzing
redelijkerwijs toch niet anders verstaan worden dan dat ook de - aan de
terugvordering voorafgaande - herziening wordt bestreden.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank dusdoende het bepaalde in
artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
inhoudende dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het
beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het
vooronderzoek en het onderzoek ter zitting, heeft miskend.
De aangevallen uitspraak dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.
De Raad zal met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet de zaak
echter niet terugwijzen, maar zelf afdoen, omdat de zaak naar zijn
oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. De Raad zal,
doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, alsnog
herzieningsbesluit beoordelen.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde
de aanspraken van appellante op uitkering ingevolge de Anw vanaf juni
2001 tot en met oktober 2003 aanvankelijk onjuist heeft vastgesteld en
dat gedaagde bij het bestreden besluit slechts de aanspraak op Anw-uitkering van appellante over het tijdvak van augustus 2002 tot en
met oktober 2003 heeft herzien. De hoogte van de over dat tijdvak nader
vastgestelde aanspraak op nabestaandenuitkering is door appellante niet
betwist. Tussen partijen is in hoger beroep derhalve in geschil of
gedaagde met recht de uitkering van appellante over laatstgenoemd
tijdvak heeft herzien.
Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de
Raad allereerst op dat uit artikel 34, eerste lid, van de Anw volgt dat
indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend,
gedaagde gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te
trekken. Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw is blijkens de Memorie
van Toelichting dat in alle gevallen correctie van fouten moet
plaatsvinden (TK, 1994-1995, 23 909, nr. 3). In de memorie van antwoord
aan de Eerste Kamer is daaraan echter toegevoegd dat in het wetsvoorstel
wordt aangesloten bij het rechtszekerheidsbeginsel uit de rechtspraak
inhoudend dat herziening of intrekking van een uitkering niet is
toegestaan tenzij betrokkene had kunnen begrijpen dat hij geen recht op
uitkering had (EK, 1995-1996, 23 909, nr. 114b).
Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van
besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht,
waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het
vertrouwens- en rechtszekerheidbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is
dat gedaagde niet tot herziening of intrekking met volledige
terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen
is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de
uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft al eerder geoordeeld
dat deze beleidsregels niet in strijd komen met enige geschreven of
ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder
voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de rechtszekerheid en
het vertrouwensbeginsel.
Voorts wordt op grond van de beleidsregels van gedaagde met toepassing
van artikel 3:4 van de Awb geheel of gedeeltelijk van herziening
afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het
oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.
Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht
gedaagde belang aan:
- de mate waarin de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin aan gedaagde een verwijt kan worden gemaakt;
- de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de
hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het
dagelijks leven van belanghebbende.
Appellante had naar het oordeel van de Raad - in ieder geval met het
besluit van 31 juli 2002, waarbij haar uitkering per juni 2001 tot en
met juli 2002 werd herzien en haar een nabetaling van € 1.905,87 werd
gedaan - redelijkerwijs kunnen onderkennen dat haar uitkering werd
berekend naar een onjuiste grondslag. Derhalve is er geen sprake van een
situatie waarin gedaagde op grond van het hiervoor genoemde beleid had
moeten afzien van herziening van de Anw-uitkering van appellante.
Ingevolge het toepasselijke wettelijke regime was gedaagde dan ook
gehouden tot herziening (en terugvordering) van de uitkering, tenzij
dringende redenen daaraan in de weg stonden.
De Raad constateert dat uit het bestreden besluit en de daaraan ten
grondslag liggende stukken naar voren komt dat gedaagde, na zijn
beleidsuitgangspunten met betrekking tot de kennelijke onredelijkheid te
hebben beoordeeld, heeft afgezien van herziening van de uitkering over
de periode juni 2001 tot en met juli 2002, en daarmee dus ook van de
terugvordering over die periode ten bedrage van € 6.639,27. Gedaagde
heeft in overeenstemming met het beleid de terugwerkende kracht van de
herziening beperkt tot (ongeveer) de helft. De Raad ziet niet dat sprake
is van feiten of omstandigheden die voor gedaagde aanleiding hadden
moeten zijn om tot een verdergaande beperking van de terugwerkende
kracht tot meer dan de helft, over te gaan.
Ook op grond van de in artikel 34, tweede lid, van de Anw bestaat geen
aanleiding tot een verdergaande beperking van de terugwerkende kracht.
Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen kunnen dringende
redenen als hier bedoeld slechts gelegen zijn in onaanvaardbare financiële
of sociale consequenties van een herziening (of een hiermee
samenhangende terugvordering) voor de betrokkene. Dergelijke bijzondere
omstandigheden zijn niet gesteld en daarvan is de Raad ook niet
gebleken.
De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde op goede gronden de
nabestaandenuitkering van appellante heeft herzien met een terugwerkende
kracht tot en met augustus 2002. Dit betekent dat het in eerste aanleg
ingestelde beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger
beroep, bestaande uit reiskosten voor het bijwonen van de zitting, nu
appellante zelf niet ter zitting van de Raad is verschenen en zich heeft
laten vertegenwoordigen door een niet-professionele gemachtigde. Deze
kosten worden begroot op € 32,- . Van overige voor vergoeding in
aanmerking komende kosten is niet gebleken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot € 32,- te betalen door de Sociale
verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het gestorte
griffierecht in hoger beroep van € 102,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Graus
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.P. Graus.
|
|