|
Uitspraak
04/1692 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant is op bij beroepschrift voorzien van bijlagen aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank
Utrecht van 23 februari 2004, nr. SBR 03/429, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 oktober 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, en waar voor gedaagde is verschenen
E. Appeldoorn, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren [in] 1938, heeft bij formulier gedagtekend 7 oktober
2002 een pensioen ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw)
aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn echtgenote
[echtgenote] [in] 2001 is overleden. Opgegeven is verder dat appellant
een brutobedrag van € 3.405,62 per maand aan ouderdomspensioen geniet.
Bij besluit van 21 oktober 2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat
hij in aanmerking komt voor een nabestaandenpensioen. De hoogte van het
pensioen is vastgesteld op nihil in verband met het inkomen van
appellant. Appellants bezwaar is bij besluit van 9 januari 2003, hierna:
het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft voorop gesteld dat het geschil is beperkt tot de
vraag of bij het in mindering brengen van inkomsten op een toegekende
Anw-uitkering onderscheid mag worden gemaakt tussen inkomsten uit en in
verband met arbeid en andere inkomsten, zoals die uit vermogen. Onder
verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Anw en de uitspraak van de
Raad van 29 augustus 2003, USZ 2003/312, heeft de rechtbank als haar
oordeel gegeven dat er een voldoende rechtvaardiging is voor het bij de
korting op grond van artikel 18 van de Anw maken van onderscheid tussen
inkomsten uit of in verband met arbeid en andere vormen van inkomen,
zoals inkomen uit vermogen anderzijds.
Van een verboden onderscheid in de zin van artikel 14 van het Europese
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
wijsheden (EVRM) of artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten is dan ook geen sprake.
In hoger beroep heeft appellant zijn grieven herhaald dat er bij de
berekening van de hoogte van de Anw-uitkering een ongerechtvaardigd
onderscheid wordt gemaakt tussen inkomsten uit en in verband met arbeid
(wel leidend tot een korting) en inkomsten uit vermogen (niet leidend
tot een korting) én dat er ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt
tussen inkomsten uit en in verband met arbeid (wel leidend tot een
korting) en nabestaandenpensioen (niet leidend tot een korting). Voorts
heeft appellant aangevoerd dat hem volstrekt onduidelijk is waarom bij
(aanvullende) nabestaandenvoorzieningen wel een gelijke behandeling
plaatsvindt (in alle gevallen niet leidend tot een korting op de
Anw-uitkering), maar niet bij ouderdoms- en invaliditeitsuitkeringen
(wel leidend tot een korting, tenzij er geen band is met een individuele
of collectieve arbeidsovereenkomst).
Namens gedaagde is onder meer opgemerkt dat op grond van artikel 5a,
eerste lid, onder a, van het Inkomens- en samenloopbesluit Anw,
onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds een particuliere ouderdoms-
en invaliditeitsverzekering in het kader van een individuele of
collectieve arbeidsovereenkomst en anderzijds aanvullende ouderdoms- en
invaliditeitsverzekeringen zonder dat er sprake is van een eigen
arbeidsovereenkomst. Hierdoor wordt geen direct onderscheid gemaakt
tussen werknemers en zelfstandigen. Het onderscheid wordt veroorzaakt
doordat verzekeringen op grond van een individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst voor zelfstandigen niet openstaan en zij dus per
definitie zijn aangewezen op particuliere verzekeringen in de privé-sfeer.
Dergelijke verzekeringen hebben geen connecties met arbeid en kunnen
reeds om die reden niet onder het begrip inkomen uit of in verband met
arbeid vallen. Dergelijke inkomsten dienen eerder als
vermogensbestanddelen te worden aangemerkt, aldus gedaagde.
In reactie hierop is door appellant opgemerkt dat een aanvullend
invaliditeitspensioen uitsluitend kan samenhangen met een verlies aan
verdienvermogen en dus direct gerelateerd is aan arbeid, zowel bij een
werknemer als bij een zelfstandige.
De Raad oordeelt als volgt.
In zijn uitspraak van 5 december 2003, LJN AO2554, heeft de Raad
uitvoerig gemotiveerd dat het bij en krachtens de Anw gemaakte
onderscheid tussen personen met inkomen uit of in verband met arbeid
enerzijds en personen met een aanvullend nabestaandenpensioen of inkomen
uit vermogen anderzijds, bezien vanuit de doelstelling van de Anw als
bodemvoorziening voor het aanvullende nabestaandenpensioen,
gerechtvaardigd is. Hetgeen in het onderhavige geding door appellant
naar voren is gebracht heeft de Raad geen aanleiding gegeven over dit
punt thans anders te oordelen.
Ten aanzien van appellants grief inzake het onderscheid tussen enerzijds
particuliere ouderdoms- en invaliditeitsverzekeringen in het kader van
een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst en anderzijds
(aanvullende) ouderdoms- en invaliditeitsverzekeringen zonder dat er
sprake is van een eigen arbeidsovereenkomst, is de Raad, met gedaagde in
het verweerschrift, van oordeel dat laatstgenoemde verzekeringen geen
directe relatie hebben met het verrichten van arbeid en reeds om die
reden niet onder het begrip inkomen uit of in verband met arbeid kunnen
vallen. Het inkomen uit dergelijke verzekeringen heeft doorgaans wel
enige relatie met verrichte arbeid, maar dient gelet op het vrijwillige
karakter van de verzekering veeleer als inkomen uit vermogen te worden
aangemerkt. De in de uitspraak van 5 december 2003 gegeven
rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid geldt hier evenzeer.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december
2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|