|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4041 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellante heeft mr. C.C.J. Aarts, advocaat te Uden, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15
juni 2004, reg.nr. 02/3127 ANW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 november 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.M.A. van den
Boogaard, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
H. Xhonneux en J.A.J. Groenendaal, beiden werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank. Als getuigen aan de zijde van appellante zijn gehoord
[getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 1 januari 1989 een pensioen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen bij besluit vanaf 1 juli
1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet
(Anw).
Naar aanleiding van gegevens van de Gemeentelijke Basis Administratie
heeft de sociale recherche van gedaagde een onderzoek ingesteld naar de
rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader
is dossieronderzoek gedaan en zijn appellante en [getuige 4] (hierna:
[getuige 4]) gehoord. Ook is als getuige gehoord [getuige 1], destijds
schoondochter van appellante. Uit het onderzoek van gedaagde is onder
meer gebleken dat appellante vanaf 1982/1983 op kamers is gaan wonen bij
[getuige 4] aan [het adres 1] en dat zij met ingang van 15 juli 1989
samen met [getuige 4] een woning is gaan huren aan [het adres 2] van de
Woningbouwvereniging Mgr. Prinsen. Per 1 april 1997 heeft appellante
zich vervolgens laten overschrijven naar [het adres 3], het adres van
haar zoon.
De onderzoeksresultaten zijn voor gedaagde aanleiding geweest om bij
besluit van 25 juni 2002 het recht op de nabestaandenuitkering van
appellante per 1 mei 1998 te beëindigen (lees: in te trekken). De
besluitvorming berust op de overweging dat appellante een gezamenlijke
huishouding voert - anders dan ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende - met [getuige 4].
Bij besluit van 17 oktober 2002, voorzover hier van belang, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2002 ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 17 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw -
voorzover hier van belang - eindigt het recht op nabestaandenuitkering
indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders
dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende. Ingevolge
artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald
geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord
aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot
het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven
van betrokkenen en de aard van de onderlinge relatie niet van belang.
Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn
hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beoordeeld aan
de hand van concrete feiten en omstandigheden.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken een
toereikende grondslag bieden voor het standpunt van gedaagde dat
appellante en [getuige 4] sedert april 1998 hun hoofdverblijf hadden in
de stacaravan van [getuige 4] in Heeswijk-Dinther. De Raad heeft
daarbij evenals de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op de inhoud
van de door appellante en [getuige 1] ten overstaan van de sociale
recherche afgelegde verklaringen alsmede op de verklaring van appellante
op de hoorzitting in de bezwaarprocedure waarin zij zegt dat zij in de
achterbouw van de stacaravan in Heeswijk-Dinther een eigen bed had
staan, naast een wasmachine, koelkast en vriezer. Daarnaast beschikte
zij in de stacaravan nog over een kamertje met een eenpersoonsbed.
De Raad verwerpt de grief van appellante dat door gedaagde onvolledig
onderzoek zou zijn gedaan. Op het gestelde overnachten van appellante
bij haar broer in Drunen hebben appellante, noch andere door de sociale
recherche gehoorde personen in hun verhoren gewezen. Appellante heeft in
haar verklaringen ten overstaan van de sociaal rechercheurs aangegeven 1
à 2 nachten per week bij haar zoon in Odiliapeel te verblijven,
daarnaast nog een keer donderdags in de veertien dagen, en de rest van
de tijd in Heeswijk op de camping. Voorts heeft zij in haar verhoren
onder meer aangegeven dat zij een sleutel had van de stacaravan en de
naam van Jan (bedoeld is: [getuige 4]) had moeten invullen bij de vraag
met wie zij op een adres woonde. De stelling dat zij evenveel tijd in de
woning van haar broer in Drunen zou verblijven als in de stacaravan in
Heeswijk mist feitelijke grondslag en uit de in bezwaar overgelegde
foto’s valt niet af te leiden hoe ten tijde hier van belang het
gestelde feitelijk gebruik door appellante van die woning in Drunen was.
Die stelling is voorts niet te rijmen met de eerder door appellante
afgelegde verklaringen en met hetgeen appellante omtrent de frequentie
van haar aanwezigheid bij deze broer in de loop van de procedure heeft
gesteld.
Wat de verklaringen betreft van de getuigen die ter zitting zijn gehoord
merkt de Raad op dat deze onvoldoende houvast bieden en te weinig
consistent zijn om vast te stellen dat appellante haar hoofdverblijf ten
tijde hier van belang bij haar zoon in Odiliapeel had.
De Raad tekent daarbij aan dat de ter zitting door de getuige [getuige
1] en Lans afgelegde verklaringen met betrekking tot de nachten die
appellante doorgaans in Odiliapeel zou doorbrengen, niet met elkaar
overeenstemmen en dat uit de verklaring van [getuige 3] geen feiten naar voren zijn gekomen die van belang zijn voor
de vraag waar appellante in feite haar hoofdverblijf had.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse
verzorging.
Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling
tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van
woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige
verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken kunnen ook
andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de
betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten
aanzien van betrokkene gebleken feiten en omstandigheden, die niet van
subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan
het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
Naar het oordeel van de Raad is ook aan het tweede criterium voldaan.
Vaststaat dat [getuige 4] appellante onderdak bood in zijn stacaravan
zonder dat daar een financiële vergoeding tegenover stond. Hij kookte,
deed boodschappen en gaf appellante het gebruik van zijn auto.
Appellante streek de was van [getuige 4], hield de caravan schoon en
verrichtte werk in de tuin. In haar testament stond [getuige 4] als
begunstigde vermeld.
De omstandigheid dat de strafrechter appellante van de ten laste gelegde
valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak
van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is
immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde
geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk
geding door de betreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een
strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander
procesrecht van toepassing is.
Gedaagde heeft, gelet op de beschikbare gegevens, naar het oordeel van
de Raad terecht aangenomen dat ten tijde hier van belang sprake was van
het voeren van een gezamenlijke huishouding anders dat ten behoeve van
de verzorging van een hulpbehoevende.
Gelet hierop eindigde ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder
b, en artikel 16, tweede lid van de Anw het recht van appellante op een
nabestaandenuitkering met ingang van 1 mei 1998, de eerste dag van de
maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden
zich heeft voor gedaan.
Gedaagde heeft de nabestaandenuitkering van appellante derhalve terecht,
met toepassing van artikel 34, eerste lid van de Anw, met ingang van 1
mei 1998 ingetrokken. Van dringende redenen, als bedoeld in artikel 34,
tweede lid, van de Anw, op grond waarvan gedaagde geheel of gedeeltelijk
van intrekking kon afzien is de Raad niet gebleken.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante niet
kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december
2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|