|
Uitspraak
04/6624 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden,
voorzover het de Sociale verzekeringsbank betreft. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. H.N.H. Dresschers, advocaat te Brunssum,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht
van 22 oktober 2004, reg.nr. 04/442 ANW/AOW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend
Namens appellant zijn nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is, gevoegd met het geding tussen [betrokkene] en gedaagde
(procedurenummer 04/6408 ANW), behandeld ter zitting van 17 januari
2006, waar voor appellant is verschenen mr. Dresschers, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij
de Sociale verzekeringsbank. Na de behandeling ter zitting zijn de
gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt thans afzonderlijk
uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving sedert 1 augustus 1994 een pensioen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), welk pensioen per 1 juli 1996 is
omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Appellant is met ingang van 31 mei 1995 een gezamenlijke huishouding
gaan voeren met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Appellant heeft
gedaagde in september 1997 gemeld dat hij is verhuisd en dat hij niet
langer zijn woning deelt met een ander. Bij de voortzetting van de
Anw-uitkering van appellant is gedaagde daarvan uitgegaan.
Gedaagde heeft appellant met ingang van 1 juni 1998 recht op pensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, berekend naar de
norm voor een ongehuwde.
Naar aanleiding van de op 14 april 2003 bij gedaagde binnengekomen
anonieme tip dat appellant samenwoont met [betrokkene] op haar adres,
heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de
rechtmatigheid van de aan appellant verleende Anw-uitkering en het aan
hem verleende AOW-pensioen. In dat kader is onder meer dossieronderzoek
verricht, zijn appellant en [betrokkene] verhoord, zijn inlichtingen bij
verschillende instanties ingewonnen en zijn getuigen gehoord. De
bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal.
Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft gedaagde geconcludeerd dat
appellant vanaf mei 1995 een gezamenlijke huishouding in de zin van de
Anw respectievelijk de AOW heeft gevoerd met [betrokkene]. Bij
afzonderlijke besluiten van 20 augustus 2003 heeft gedaagde op grond
daarvan de Anw-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1998
verlaagd naar een bedrag overeenkomend met 30% van het minimumloon en
het AOW-pensioen van appellant vanaf 1 juni 1998 herzien naar een
gehuwdenpensioen.
Bij besluit van 11 februari 2004 heeft gedaagde het tegen de besluiten
van 20 augustus 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het besluit van 11 februari 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Appellant kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat
gedaagde terecht heeft aangenomen dat hij in het in geding zijnde
tijdvak met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De herziening van de Anw-uitkering
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere
ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Van een
gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw is sprake indien twee
personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage
in de kosten van de huishouding dan wel anderszins
Artikel 34, eerste lid, van de Anw bepaalt - voorzover in dit geding van
belang - dat gedaagde het besluit tot toekenning van een uitkering
herziet indien de uitkering tot een te hoog bedrag is verleend.
Ingevolge artikel 67, eerste en derde lid, van de Anw - voorzover in
deze zaak van belang - heeft de persoon die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de Anw recht had op een uitkering ingevolge de AWW,
en op de dag van de inwerkingtreding van de Anw een gezamenlijke
huishouding voerde en deze gezamenlijke huishouding nog steeds voerde op
31 december 1997, met ingang van 1 januari 1998 recht op een uitkering
gelijk aan 30% van het minimumloon.
Het eerste criterium waaraan in het kader van artikel 3, tweede lid, van
de Anw moet zijn voldaan, is dat van het hebben van het hoofdverblijf in
dezelfde woning. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij feitelijk
sedert juli 1997 niet meer in de woning van [betrokkene] maar in de
woning van haar dochter op het adres [adres 1] nr. 3 te [A.] woonachtig
was, op welk adres appellant van 20 augustus 1997 tot 22 mei 2001 ook in
de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven heeft gestaan.
Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, hoeft het aanhouden van
verschillende woonadressen op zichzelf aan het hebben van hoofdverblijf
in dezelfde woning niet in de weg te staan. In dat geval zal
redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een
feitelijke situatie van samenwoning bestaat, bijvoorbeeld doordat
slechts een van de beide ter beschikking staande woningen wordt
gebruikt.
Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een
toereikende grondslag voor het standpunt van gedaagde dat appellant en
[betrokkene] gedurende de hier relevante periode hun hoofdverblijf
hadden in de woning van [betrokkene] aan de [adres 2] nr. 4 te [B.]. De
Raad kent daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring die
appellant tegenover de betrokken sociaalrechercheur heeft afgelegd. Hij
heeft verklaard dat hij nooit daadwerkelijk op het adres [adres 1] nr. 3
te [A.] heeft gewoond, dat dit adres voor hem zuiver een postadres was
en dat hij in feite gewoon bij [betrokkene] is blijven wonen.
Appellant heeft aangevoerd dat hij niet aan zijn verklaring mag worden
gehouden aangezien die verklaring niet conform zijn wil is afgelegd en
vastgelegd, omdat hij op de dag van het urenlange verhoor ziek was,
respectievelijk omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is. De
Raad overweegt hierover het volgende. De verklaring van appellant is
vastgelegd in op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Appellant heeft zijn
verklaring, nadat deze was voorgelezen, per bladzijde getekend. Naar
vaste jurisprudentie mag, ook indien daarop in een later stadium wordt
teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de
aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens
ondertekende verklaring, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden
op grond waarvan op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet
worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende
aanknopingspunten gevonden. Daarbij neemt de Raad in de eerste plaats in
aanmerking dat appellant een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd,
onder meer over zijn woon- en verblijfssituatie vanaf 1995. De
gedingstukken bieden geen objectieve aanwijzingen dat de
gezondheidssituatie van appellant hem verhinderde daarover op adequate
wijze te verklaren, dan wel dat hij zijn verklaring onder ontoelaatbare
druk heeft afgelegd of dat hij de schriftelijke weergave van zijn
verklaring bij ondertekening niet voldoende heeft begrepen. De
verklaring van appellant vindt bovendien steun in de getuigenverklaring
van de bewoonster van de woning [adres 1] nr. 3a, in de schriftelijke
getuigenverklaringen van bewoners van de woningen [adres 2] nr. 7 en
[adres 3] nr. 4 te [B.], en in het proces-verbaal van het horen van de
bewoonsters van de woningen [adres 2] nr. 6 en nr. 8 te [B.].
Naar het oordeel van de Raad doet de in de strafzaak tegen appellant
door de dochter van [betrokkene] afgelegde verklaring, inhoudende dat
appellant gedurende de periode waarin hij op haar woonadres in [A.]
ingeschreven heeft gestaan daadwerkelijk bij haar woonde, aan de
verklaring van appellant en de getuigenverklaringen onvoldoende afbreuk.
Daarbij betrekt de Raad het tijdstip waarop deze verklaring is afgelegd
en het feit dat deze verklaring niet wordt ondersteund met objectieve
gegevens waaruit blijkt dat de verklaring van appellant zelf niet juist
kan zijn. Het enkele feit dat appellant periodiek een bedrag van f
450,-- betaalde aan de dochter van [betrokkene] is daartoe onvoldoende.
De Raad is gezien het voorgaande van oordeel dat aan het eerste
criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse
verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële
verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend
delen van woonlasten en hiermede samenhangende vaste lasten. Indien van
een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate
sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om
aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een
afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en
omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend
zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in
een concreet geval is voldaan.
Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken, waaronder met name
de verklaring van appellant, een toereikende grondslag voor het
standpunt van gedaagde dat ook aan dit criterium is voldaan. De Raad
volstaat op dit punt verder met verwijzing naar het besluit van gedaagde
van 11 februari 2004 en naar de aangevallen uitspraak waarin de diverse
aspecten van de wederzijdse zorg van appellant en [betrokkene] zijn
opgesomd.
Appellant heeft zich er nog op beroepen dat de tegen hem ingestelde
strafzaak (onder meer wegens valsheid in geschrifte) heeft geleid tot
vrijspraak. Naar vaste rechtspraak van de Raad komt evenwel in een
geding als hier aan de orde geen doorslaggevende betekenis toe aan het
oordeel van de strafrechter. De bestuursrechter is in de vaststelling
van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet
gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de betrokken
rechter is geoordeeld, nu in een strafrechtelijke procedure een andere
rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.
Gelet op het voorafgaande heeft gedaagde terecht - met toepassing van
artikel 34, eerste lid, en artikel 67, eerste en derde lid, van de Anw -
de Anw-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1998 herzien
naar een bedrag van 30% van het minimumloon. In hetgeen appellant heeft
aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel
34, tweede lid, van de Anw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn
geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.
De herziening van het AOW-pensioen
Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die
met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Van een
gezamenlijke huishouding in de zin van de AOW is sprake indien twee
personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven
zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage
in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Artikel 17, eerste lid, van de AOW bepaalt - voorzover in dit geding van
belang - dat het ouderdomspensioen door gedaagde wordt herzien, wanneer
degene aan wie het is toegekend ingevolge het bij of krachtens de AOW
bepaalde voor een lager pensioen in aanmerking komt.
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor over de herziening van de
Anw-uitkering is overwogen, is de Raad van oordeel dat gedurende de
periode van 1 juni 1998 tot 22 mei 2001 sprake is geweest van een
gezamenlijke huishouding van appellant met [betrokkene] in de zin van de
AOW. In zoverre heeft gedaagde derhalve het AOW-pensioen van appellant
terecht herzien en vastgesteld naar een pensioen voor gehuwden. In
hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen
als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW om geheel of
gedeeltelijk van herziening af te zien.
Wat de periode vanaf 22 mei 2001 betreft komt de Raad evenwel tot een
ander oordeel. Vanaf deze datum stond appellant in de GBA ingeschreven
op het adres [adres 4] te [C. ]. Appellant en [betrokkene] hebben
verklaard - samengevat - dat appellant zijn hoofdverblijf op dat adres
had. Voorts kan naar het oordeel van de Raad uit de bevindingen van het
door de sociale recherche afgelegde bezoek aan dat adres niet worden
afgeleid dat appellant daar niet woonde. De stelling van appellant dat
hij op dat adres woonde werd bij die gelegenheid bovendien bevestigd
door een medebewoner, zo blijkt uit het verslag van het huisbezoek. Dit
betekent dat het standpunt van gedaagde dat appellant ook vanaf deze
datum samenwoonde met [betrokkene] op haar adres in wezen slechts kan
worden gebaseerd op de getuigenverklaringen van buurtbewoners van
[betrokkene]. Tegen de achtergrond van de andere, zojuist vermelde
gegevens acht de Raad dat onvoldoende. Bovendien zijn er onvoldoende
aanknopingspunten voor het oordeel dat vanaf 22 mei 2001 (ook) aan het
tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is
voldaan.
Dat betekent dat het besluit van 11 februari 2004 in zoverre een
deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep
gegrond verklaren en het besluit van 11 februari 2004 wegens strijd met
artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen
voorzover het betreft de herziening van het AOW-pensioen van appellant
vanaf 22 mei 2001. Gedaagde zal een nieuw besluit moeten nemen op het
bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 augustus 2003 betreffende
de herziening van het AOW-pensioen, met inachtneming van deze uitspraak.
De proceskosten
De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op €
483,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, alsmede op €
7,50,-- voor reiskosten van appellant in beroep. Bij de vaststelling van
het bedrag van de kosten voor het hoger beroep heeft de Raad in
aanmerking genomen de gevoegde behandeling van de zaken van appellant en
[betrokkene] ter zitting, waarbij zij werden vertegenwoordigd door
dezelfde advocaat. De Raad merkt ten slotte op dat gedaagde bij het
nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens zal moeten beslissen op
het verzoek van appellant om vergoeding van de in de bezwaarfase
gemaakte kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 11 februari 2004 voorzover het betreft de
herziening van het AOW-pensioen vanaf 22 mei 2001;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 20 augustus 2003 betreffende de
herziening van het AOW-pensioen, met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.134,50,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant betaalde
griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter, en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 februari
2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) M. Pijper.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|