|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/7061 ANW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] (hierna:
appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 november 2005,
05/1428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], (hierna: betrokkene),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 8 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft J. Scheper, werkzaam bij administratiekantoor J.
Scheper te Bodegraven, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene is op 8 mei 2006 overleden, waarna appellanten hebben
besloten deze procedure voort te zetten.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2006. Namens
appellanten is daarbij verschenen J. Scheper, voornoemd. De Svb is, met
kennisgeving, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden
verwijst de Raad naar het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.
Ook in hoger beroep is tussen partijen slechts in geschil of de Svb
terecht heeft besloten om eerst met ingang van 1 augustus 2003 een
nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) aan
betrokkene toe te kennen. De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd
op artikel 33, vierde lid, van de Anw. Ingevolge dit artikellid kan het
recht op nabestaandenuitkering niet worden vastgesteld over tijdvakken
gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de Svb de
aanvraag heeft ontvangen. In de tweede volzin van dit artikellid is
voorts bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken
van het bepaalde in de eerste volzin. Nu de Svb aan betrokkene
nabestaandenuitkering heeft toegekend over het jaar voorafgaande aan de
aanvraag om nabestaandenuitkering, spitst het geschil tussen partijen
zich toe op de vraag of de Svb terecht heeft besloten dat geen sprake is
van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld.
De Raad is met de Svb en de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen
sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid,
van de Anw. Daarbij wijst de Raad erop dat ingevolge vaste
jurisprudentie de enkele onbekendheid met wettelijke voorschriften geen
bijzonder geval kan opleveren. Voorts is ook de Raad van oordeel dat de
door en namens betrokkene aangevoerde omstandigheden onvoldoende gewicht
toekomt om aan te nemen dat haar onbekendheid met haar rechten op grond
van de Anw verschoonbaar was. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in
zijn uitspraak van 18 maart 2005 (USZ 2005/179 en LJN AT2911) kunnen en behoren
nabestaanden, ook zonder dat zij door bepaalde instanties daarover zijn
geïnformeerd, redelijkerwijs op de hoogte te zijn van de voor hen
bestaande mogelijkheid een nabestaandenuitkering krachtens de Anw
aan te
vragen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 8 september 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|