|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/4606 ANW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 juni 2005, 04/1870
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 5 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A. Houben-Timmermans, advocaat te Heerlen,
hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2006. Voor
appellante is mr. Houben-Timmermans verschenen. De Svb heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, werkzaam bij de Sociale
verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 februari 1994 een pensioen ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet
in een uitkering ingevolgde de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante zou samenwonen met
wijlen H.A. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) op een camping te
Maasmechelen (België) heeft de sociale recherche van de Sociale
verzekeringsbank een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de
aan appellante verleende nabestaandenuitkering. In dat kader is
dossieronderzoek gedaan, is de gemeentelijke basisadministratie (GBA)
geraadpleegd, is een bezoek gebracht aan appellante op de camping, bij
welke gelegenheid een “Checklist onderzoek leefsituatie AOW/Anw” is
ingevuld, zijn diverse buurtbewoners/getuigen gehoord en hebben
appellante en [betrokkene] verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat
onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juli 2004. De voorlopige
onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit
van 13 juli 2004 de betaling van de nabestaandenuitkering van appellante
met ingang van 1 juli 2004 te schorsen. Naar aanleiding van de
definitieve onderzoeksresultaten heeft de Svb bij besluit van 4 augustus
2004 de nabestaandenuitkering van appellante per 31 juli 2001 beëindigd
(lees: ingetrokken). Aan de intrekking heeft de Svb ten grondslag gelegd
dat appellante een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met
[betrokkene].
Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft de Svb de bezwaren tegen de
besluiten van 13 juli 2004 en 4 augustus 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 5 oktober 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij geen gezamenlijke
huishouding heeft gevoerd met [betrokkene].
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De schorsing van de betaling
Ingevolge artikel 46, derde lid, aanhef en onder a, van de Anw schorst
de Sociale verzekeringsbank de betaling van de uitkering indien zij op
grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde
vermoeden heeft dat het recht op uitkering niet meer bestaat. Aan deze
voorwaarde is in dit geval voldaan. Bij de Svb kon op grond van de ten
tijde van de schorsing van de betaling beschikbare gegevens het gegronde
vermoeden bestaan dat voor appellante - vanwege een gezamenlijke
huishouding met [betrokkene] - geen recht op uitkering meer bestond. De
Raad heeft daarbij met name het oog op de verklaring die appellante op 8
juli 2004 tijdens het bezoek van medewerkers van de Sociale
verzekeringsbank aan de camping heeft afgelegd, inhoudende dat zij en
[betrokkene] sinds drie jaar dag en nacht bij elkaar zijn, hetzij op de
camping, hetzij op haar adres en voorts op de bij die gelegenheid
ingevulde en door appellante ondertekende “Checklist onderzoek
leefsituatie AOW/Anw”. De Svb is dan ook terecht tot schorsing van de
betaling van de nabestaandenuitkering overgegaan.
De intrekking
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw eindigt
het recht op nabestaandenuitkering als de nabestaande in het huwelijk
treedt of een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.
Van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw is sprake indien
twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk
geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Appellante stond ten tijde in geding in de GBA ingeschreven op het adres
[adres appellante]. [betrokkene] stond ten tijde hier van belang in de
GBA ingeschreven op het adres [adres betrokkene], op welk adres hij in
een pension een kamer huurde. [betrokkene] beschikte daarnaast sedert
mei 2002 over een stacaravan op een camping te Maasmechelen.
Zoals de Raad al vaker heeft overwogen hoeft het aanhouden van
afzonderlijke adressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde
woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk
moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning
bestaat doordat slechts een van de ter beschikking staande woningen
(woongelegenheden) wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze
zodanig gebruik van de woningen (woongelegenheden) wordt gemaakt dat in
feite van samenwonen moet worden gesproken.
De Raad is met appellante en anders dan de rechtbank en de Svb van
oordeel dat ten aanzien van appellante en [betrokkene] ten tijde in
geding van een zodanige situatie geen sprake was. De Raad kent daarbij
zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring die [betrokkene] op 14 juli
2004 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Hij heeft toen onder
meer verklaard dat hij en appellante elkaar eind juli 2001 hebben leren
kennen, dat zij tot Kerstmis 2001 ontmoetingen buitenshuis hadden, maar
niet bij elkaar in de woning verbleven, dat zij van Kerstmis 2001 tot
mei 2002 de weekeinden met elkaar doorbrachten in de woning van
appellante en dat zij sedert mei 2002 het weekend en de woensdag bij
elkaar doorbrengen, ’s zomers in de stacaravan op de camping in
Maasmechelen en ’s winters op het adres van appellante, en dat hij de
andere dagen en nachten of op de camping of op zijn kamer in het pension
aan [adres betrokkene] verbleef. De verklaring van [betrokkene] is
gedetailleerd en vindt bevestiging in de verklaring van een
administratief medewerker van de camping te Maasmechelen, in die van de
eigenaar van het pension waar [betrokkene] een kamer huurde en in die
van één van de andere kamerhuurders in dat pension. De Raad acht
voorts niet zonder betekenis dat bewoners in de omgeving van het adres
van appellante niet eensluidend verklaren over de bewoning van de woning
op dat adres.
De Raad hecht in dit verband geen betekenis aan de verklaring die
appellante op 8 juli 2004 tijdens het bezoek van medewerkers van de
Sociale verzekeringsbank aan de camping heeft afgelegd. Haar verklaring
dat [betrokkene] al drie jaar geen nacht meer op zijn kamer in het
pension heeft doorgebracht en dat zij en [betrokkene] sinds drie jaar
dag en nacht bij elkaar zijn, hetzij op de camping hetzij op haar adres,
vindt geen steun in de overige onderzoeksgegevens. Deze verklaring
spoort bovendien niet met de schriftelijke verklaring die appellante
samen met haar zoon heeft opgesteld kort na dat bezoek en die zij bij
haar verhoor door de sociale recherche op 14 juli 2004 heeft
overhandigd, bij welk verhoor zij overigens weer anders verklaarde.
Vorenstaande brengt mee dat het besluit van 5 oktober 2004 niet op een
deugdelijke motivering berust voor zover dit besluit betrekking heeft op
de intrekking van de nabestaandenuitkering. Aangezien de rechtbank dit
niet heeft onderkend komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in
aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het
beroep gegrond verklaren en het besluit van 5 oktober 2004 wegens strijd
met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de
nabestaandenuitkering. De Raad zal voorts met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 4 augustus 2004 herroepen.
Proceskosten
De Raad ziet aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van
appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, €
644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 5 oktober 2004, behoudens voor zover het
betrekking heeft op de schorsing van de uitbetaling van
nabestaandenuitkering;
Herroept het besluit van 4 augustus 2004;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1.932,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het in beroep en
in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.M.A. van
der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 5 september 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|