|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2974 ANW en 04/2975 ANW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 april
2004, 02/1830 en 03/1769 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 29 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.C.G. Raymakers, advocaat te Helmond, hoger
beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2006. Appellant
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Raymakers, voornoemd. De Svb
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. H. Xhonneux.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent de Svb
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij formulier, gedagtekend 11 oktober 1999, heeft appellant, naar
aanleiding van het overlijden van zijn echtgenote op 7 september 1999,
een nabestaandenuitkering aangevraagd op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw). Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij een
inkomen heeft uit dienstbetrekking ter hoogte van f 3.266,- per maand.
Bij besluit van 27 oktober 1999 is aan appellant een
nabestaandenuitkering toegekend ter hoogte van f 475,63 (bruto) per
maand en een vakantie-uitkering van f 30,93 (bruto) per maand. Daarbij
is aangegeven dat appellants inkomen is vastgesteld op f 3.277,45 per
maand. Het gaat hierbij om inkomen uit arbeid dat gedeeltelijk wordt
gekort op de uitkering.
Bij brief van 22 november 1999 heeft Sfb Uitvoeringsorganisatie
appellant laten weten dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ten onrechte sinds 1 augustus
1993 op nihil is gesteld. Appellant dient, onder toepassing van de
kortingsbepalingen, vanaf genoemde datum te worden uitbetaald als ware
hij 15 tot 25% arbeidsongeschikt. Appellant heeft deze wijziging in zijn
inkomen nagenoeg direct aan de Svb doorgegeven. In november 2000 heeft
appellant de Svb een inkomensopgaveformulier doen toekomen. Daarbij is
aangegeven dat het loon van appellant f 3.293,63 bedraagt en de hoogte
van de uitkering ingevolge de WAO f 495,88 per maand.
Bij besluit van 7 december 2000 heeft de Svb aan appellant laten weten
dat in verband met de wijziging van zijn inkomen de hoogte van de
nabestaandenuitkering is gewijzigd. Appellants inkomen per november 1999
is vastgesteld op f 3.293,63 en per augustus 2000 op f 3.342,84 per
maand. Het gaat hierbij om inkomen uit arbeid dat gedeeltelijk wordt
gekort op de uitkering.
Bij wijzigingsformulier gedagtekend 23 juli 2001 heeft appellant aan de
Svb laten weten dat zijn inkomen is gewijzigd. Het inkomen bedraagt f
2.714,36. Dit is de uitkering ingevolge de WAO. Vanaf 1 juli 2001 vult
de werkgever de uitkering niet meer aan. In november 2001 heeft
appellant aan de Svb opnieuw een wijzigingsformulier doen toekomen. In
reactie hierop heeft de Svb aan appellant gevraagd bewijsstukken omtrent
zijn inkomen en zijn WAO-uitkering aan de Svb te doen toekomen vanaf
september 1999.
Bij besluit van 19 februari 2002 heeft de Svb appellants uitkering
ingevolge de Anw vanaf september 1999 herzien. De uitkering is, met
uitzondering van de maand juli 2000, op nihil gesteld. Bijgevoegd is een
brief waarbij de terugvordering wordt aangekondigd van de te veel
betaalde uitkering ad € 7.490,38.
In bezwaar heeft appellant opgemerkt steeds correct (de wijziging van)
zijn inkomen te hebben opgegeven. In december 2000 heeft al een
wijziging van de uitkering plaatsgevonden. Volgens appellant had toen
al moeten opvallen dat de inkomsten zodanig waren dat geen recht op
uitkering bestond. De Svb is in gebreke gebleven en appellant is
daardoor gedupeerd. Zo is door de toekenning van de uitkering de
huursubsidie komen te vervallen. Appellant merkt op dat hij, gezien de
hoogte van de vordering, het bedrag nooit binnen één jaar kan
aflossen. Appellant wijst verder op zijn slechte gezondheid. Hij is
onder behandeling bij de Riagg, de huisarts en de hartspecialist.
Bij besluit van 12 juni 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Hangende de procedure in beroep heeft de Svb bij besluit van 8 oktober
2002 het besluit van 12 juni 2002 ingetrokken. Het bezwaar wordt gegrond
verklaard. Opgemerkt wordt dat op grond van de informatie die de Svb
verstrekt het Anw-gerechtigden duidelijk moet zijn dat er onderscheid
wordt gemaakt tussen inkomen uit arbeid en inkomen in verband met
arbeid. Naar de opvatting van de Svb had appellant dan ook kunnen weten
dat hij teveel uitkering ontving. Aangegeven wordt verder dat appellant
de Svb reeds in november 1999 heeft geïnformeerd over zijn inkomsten
uit de WAO-uitkering. Door de Svb is hierop niet gereageerd. Op de
melding van november 2000 is, wederom, niet adequaat gereageerd. Onder
verwijzing naar artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), en het ter zake gevoerde beleid, wordt geoordeeld
dat een volledige herziening kennelijk onredelijk is. De terugwerkende
kracht van de herziening wordt in beginsel beperkt tot de helft. In casu
wordt de Anw-uitkering van september 1999 tot en met november 2000 in
stand gelaten. Vanaf december 2000 wordt de hoogte van appellants Anw-uitkering op nihil gesteld. Het bezwaar tegen de terugvordering
wordt, waar het hier slechts gaat om een voornemen en geen besluit,
niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit is namens appellant onder meer aangevoerd dat hij niet
had kunnen weten dat hij teveel uitkering ontving, nu hij, na de dood
van zijn vrouw, in een zodanige psychische toestand verkeerde dat hij
daarvoor de noodzakelijke alertheid miste. Overgelegd wordt een brief
van de GGZ Brabant en het daaraan gehechte schrijven van de huisarts
waaruit blijkt dat appellant in die periode ernstige
depressiviteitsklachten ontwikkelde.
Bij brief van 13 december 2002 heeft de Svb aan appellant laten weten
dat een bedrag van € 4.025,09 zal worden teruggevorderd. Voorgesteld
wordt het bedrag in één jaar terug te betalen. Verzocht wordt om een
betalingsvoorstel te doen. Bij brief van 24 december 2002 is daarop namens appellant geantwoord dat appellant
niet de draagruimte heeft om enig bedrag terug te betalen. Bij een
huisbezoek, in verband met de berekening van de aflossingscapaciteit,
heeft appellant opgegeven over een banktegoed van ongeveer € 5.000,-
te beschikken.
Bij besluit van 21 februari 2003 is appellant meegedeeld dat een bedrag
van € 4.025,09 van hem wordt teruggevorderd. Het bedrag moet in één
jaar in twaalf maandelijkse termijnen worden terugbetaald.
In bezwaar tegen dit besluit is onder meer aangevoerd dat, zoals ten
aanzien van de oorspronkelijke terugvordering is aangegeven, appellant
niet beschikt over aflossingscapaciteit. Subsidiair wordt opgemerkt dat
de Svb toen had voorgesteld dat appellant maandelijks € 124,84 zou
terugbetalen. Door de Svb is niet gemotiveerd hoe het nu vastgestelde
aflossingsbedrag hiermee te rijmen valt.
Bij besluit op bezwaar van 26 mei 2003 is het bezwaar ongegrond
verklaard. Ten aanzien van de invordering is daarbij opgemerkt dat
appellants inkomen weliswaar minder is dan de voor hem geldende
belastingvrije voet, maar dat appellant beschikt over een spaartegoed
van € 5.000,-. Dit betekent dat de vordering binnen zes weken dient te
zijn voldaan. De Svb stelt zich evenwel op dat standpunt dat thans in
appellants nadeel niet meer kan worden teruggekomen op het primaire
besluit.
In het beroep tegen het terugvorderings-/invorderingsbesluit is namens
appellant te kennen gegeven dat het tegoed op appellants spaarrekening
thans nog € 1.150,80 beloopt.
Bij de gevoegde behandeling van de beroepen ter zitting van de rechtbank
op 25 september 2003 heeft de Svb de stelling ingenomen dat appellant, uit
de informatie die bij de aanvraag wordt meegestuurd, alsmede uit de
toelichting die zit bij de inkomensopgaveformulieren, had kunnen
begrijpen wat wordt verstaan onder 'inkomen uit arbeid' en 'inkomen in
verband met arbeid' en de gevolgen van dit onderscheid voor de uitkering
op grond van de Anw. Na heropening van het onderzoek door de rechtbank
heeft de Svb de hiervoor genoemde informatie aan de rechtbank
overgelegd.
Bij brief van 13 januari 2004 is hierop namens appellant gereageerd.
Betwist wordt dat aan appellant een algemene voorlichtingsbrochure is
verstrekt. Bij gebrek aan wetenschap wordt verder ontkend dat aan
appellant een toelichting op het inkomensformulier is verstrekt.
Voorzover er van moet worden uitgegaan dat aan appellant wel de algemene
voorlichtingsbrochure is verstrekt, wordt opgemerkt dat daarin geen
duidelijke voorlichting wordt verstrekt over het hiervoor genoemde
onderscheid. Ten slotte wordt aangegeven dat appellant naar aanleiding
van het wijzigingsformulier van 30 november 1999, waarin aan hem door
een medewerkster van de Svb werd toegevoegd 'dat het zo goed was', er in
ieder geval niet meer op bedacht hoefde te zijn dat de wijziging van
invloed zou zijn op de hoogte van c.q. het recht op de Anw-uitkering.
Ter zitting van de rechtbank op 6 april 2004 is namens de Svb verklaard
dat bij de aanvraagset standaard de brochure (toelichting op de
aanvraag) zit. Nu appellant wel de aanvraag heeft ontvangen, moet hij
ook de brochure hebben gekregen. Hetzelfde geldt voor het
inkomensopgaveformulier. Van het door appellant vermelde telefoongesprek
is niets terug te vinden. De zin 'dat het zo goed is' kan ook betrekking
hebben op de opgestuurde gegevens. Over de hoogte van de uitkering
worden geen toezeggingen gedaan.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 12 juni 2002 bij
gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen tegen de
besluiten van 8 oktober 2002 en 26 mei 2003 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Met betrekking tot
de herziening heeft de rechtbank opgemerkt dat het geschil tussen
partijen beperkt is tot de vraag of de Svb met recht de terugwerkende
kracht van de herziening heeft beperkt tot december 2000. Onder
verwijzing naar het ter zake door de Svb gevoerde beleid en de
rechtspraak van de Raad dienaangaande, stelt de rechtbank voorop dat bij
de toekenning van de nabestaandenuitkering door de Svb een fout is
gemaakt. Opgemerkt wordt verder dat appellant ter zitting niet
uitdrukkelijk heeft ontkend destijds het voorlichtingsmateriaal bij de
aanvraag te hebben ontvangen. Appellant heeft alleen verklaard dat hij
het niet gelezen heeft omdat hij depressief was. De rechtbank gaat
daarom voorbij aan de eerst bij brief van 13 januari 2004 gegeven
ontkenning dat hij de algemene voorlichtingsbrochure heeft ontvangen. Zo
appellant al niet had kunnen begrijpen dat er sprake was van een fout,
dan had hij in elk geval bij de Svb nadere informatie dienen in te
winnen. Van doorslaggevende betekenis daarbij acht de rechtbank de
duidelijke inhoud van het overgelegde voorlichtingsmateriaal, waarin het
verschil tussen inkomsten uit en in verband met arbeid wordt uitgelegd.
Dat appellant naar de Svb heeft gebeld om te vragen of deze de
wijzigingen had ontvangen blijkt niet uit de stukken. De rechtbank
oordeelt verder dat niet is gebleken dat appellant in een dusdanige
psychische toestand was dat hij niet kon onderkennen dat hij teveel
nabestaandenuitkering ontving. Hij is immers ook in staat gebleken met
behulp van een maatschappelijk werker een aanvraag om
nabestaandenuitkering te doen en wijzigingen in zijn inkomen door te
geven. Overwogen wordt verder dat niet is gebleken van dringende redenen
op grond waarvan de Svb (verder) van herziening van de uitkering had
dienen af te zien. Hetzelfde wordt overwogen ten aanzien van de
terugvordering.
De invordering heeft de rechtbank getoetst aan het Besluit invordering
boeten, onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw
en AKW (hierna: het
Besluit). In dat kader heeft de rechtbank opgemerkt dat de Svb op een
juiste wijze toepassing heeft gegeven aan dit besluit gezien het eigen
vermogen van appellant van € 5.000,-. Appellants stelling dat zijn
spaartegoed inmiddels is geslonken tot € 1.150,80 heeft de rechtbank
niet tot een ander oordeel kunnen brengen nu appellant niet heeft
aangetoond waar het geld gebleven is. Opgemerkt wordt ten slotte dat de
Svb niet gebonden was aan het oorspronkelijke afbetalingsvoorstel, nu
dit voorstel door appellant zelf is afgewezen.
In hoger beroep zijn namens appellant de in bezwaar en beroep
aangevoerde grieven in essentie herhaald. Door appellant wordt onder
meer ontkend dat hij het voorlichtingsmateriaal heeft ontvangen. Voor
zover dit anders zou zijn wordt opgemerkt dat hij uit de cryptische
uitleg van de begrippen inkomen uit en in verband met arbeid niet heeft
kunnen begrijpen dat er alsnog een herziening en terugvordering zou
plaatsvinden.
Door de Svb is er nog op gewezen dat in het halfjaarlijks periodiek dat
aan klanten van de Svb wordt toegezonden regelmatig aandacht wordt
besteed aan het feit dat er verschillende soorten inkomens zijn.
Ter zitting van de Raad heeft de Svb (nogmaals) de verzending van de
aanvraagset en de inkomensopgaveformulieren uiteengezet. Geconcludeerd
wordt dat, nu appellant de aanvraag en de inkomensopgaveformulieren zelf
(blijkbaar) wel heeft ontvangen, hij ook het daarbij gevoegde
informatiemateriaal moet hebben ontvangen.
De Raad oordeelt als volgt.
Met betrekking tot de herziening van de uitkering stelt de Raad voorop
dat tussen partijen niet in geschil is dat de Svb appellants
nabestaandenuitkering, gezien zijn inkomsten uit arbeid, in de hier aan
de orde zijnde periode, terecht (nagenoeg) op nihil heeft vastgesteld.
Tussen partijen is in geschil of de Svb, op grond van het door hem
gevoerde beleid, de terugwerkende kracht van de herziening verder had
dienen te beperken dan in casu is gedaan. Namens appellant is in dat
verband met name naar voren gebracht dat het hem redelijkerwijs niet
duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving.
De Raad kan appellant in dat betoog niet volgen. De Raad stelt voorop
dat hij geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de stelling van de
Svb dat de informatie bij de aanvraag en de toelichting bij het
inkomensopgaveformulier aan appellant zijn verzonden. Met betrekking tot
een uitkering ingevolge de WAO bevat dit materiaal duidelijke informatie
over de betekenis van zo'n uitkering voor de hoogte van de
nabestaandenuitkering. De Raad concludeert met de Svb dat, op grond van
genoemde informatie, het aan appellant redelijkerwijs duidelijk had
moeten zijn dat het feit dat zijn uitkering ingevolge de WAO (alsnog)
deels tot uitbetaling kwam, direct van invloed was op de hoogte van zijn
nabestaandenuitkering. De Raad concludeert dat het door appellant op
grond van de rechtszekerheid gevoerde beleid niet in de weg stond aan de
herziening met volledige terugwerkende kracht van appellants
nabestaandenuitkering.
Naar het oordeel van de Raad kan verder niet worden gezegd dat de Svb,
door de herziening tot de helft te beperken, in strijd heeft gehandeld
met het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb en het ter zake door de Svb
gevoerde beleid. In dat verband merkt de Raad nog op dat de psychische
toestand van appellant de Svb niet tot een ander oordeel noopte. De Raad
onderschrijft het oordeel van de rechtbank ter zake en de daaraan ten
gronde gelegde overwegingen.
Tegen de terugvordering zijn namens appellant geen afzonderlijke grieven
aangevoerd en ook de Raad is niet gebleken van dringende redenen die de
Svb hadden moeten nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien. Ten aanzien van de invordering kan de Raad zich geheel vinden in
de overwegingen ter zake van de rechtbank, die hij tot de zijne maakt.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in
vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe
gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan
het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
De Raad concludeert dat ook de terug- en invordering van de uitkering in
rechte standhouden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon
en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
P.H.
Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
|
|