|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/1018 ANW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2006,
04/4532 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007.
Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. K. Verbeek.
II. OVERWEGINGEN
Aan de aangevallen uitspraak, waarbij voor eiseres moet worden gelezen
appellante en voor verweerder de Svb, ontleent de Raad de volgende
feiten en omstandigheden:
“Eiseres heeft bij verweerder op 6 mei 2004 een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd in verband met
het overlijden van haar echtgenoot, [echtgenoot], op 1 februari 2001.
Bij het primaire besluit van 21 mei 2004 heeft verweerder eiseres
medegedeeld dat zij geen recht heeft op een nabestaandenuitkering
ingevolge de Anw. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de echtgenoot
van eiseres op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de
Anw. Ook heeft zij op grond van internationale regelingen geen recht op
een Anw-uitkering.
Eiseres heeft bij schrijven van 7 juni 2004 bezwaar gemaakt tegen dit
besluit.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres
ongegrond verklaard.
Eiseres heeft aangevoerd dat haar echtgenoot arbeider is geweest in
Nederland, dat zij in Nederland gewoond heeft met haar echtgenoot, en
dat een van haar kinderen in Nederland is geboren. Zij beroept zich
verder op haar slechte financiële situatie.”
De rechtbank heeft vervolgens als volgt overwogen:
“De rechtbank stelt vast dat het beroepsschrift tijdig is ingediend nu
uit het poststempel op de envelop blijkt dat deze op 8 september 2004
ter post is bezorgd en het beroepsschrift is ontvangen op 21 september
2004.
In geschil tussen partijen is of eiseres in aanmerking komt voor een
uitkering op grond van de Anw, dan wel of op het tijdstip van overlijden
de echtgenoot van eiseres verzekerd was voor de Anw.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Anw is verzekerd overeenkomstig
de bepalingen van de Anw degene die ingezetene is of die geen ingezetene
is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid
aan de loonbelasting is onderworpen.
In het derde lid van voornoemd artikel is bepaald dat bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste lid,
uitbreiding dan wel beperking kan worden gegeven aan de kring der
verzekerden. Op grond van deze bepaling is het Koninklijk besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999,
besluit van 24 december 1998, Stb.1998. 746 (KB 746) in werking
getreden. Artikel 26 van het KB 746 is met ingang van 1 januari 2000
vervallen.
De rechtbank overweegt in dit verband dat er vanuit moet worden gegaan
dat de echtgenoot van eiseres sedert 1983 weer in Marokko woonde, nu
verweerders stelling daaromtrent in het bestreden besluit door eiseres
niet is bestreden.
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoot van eiseres sedert zijn
terugkeer in Marokko op enig moment verzekerd is geweest voor de Anw,
hetzij verplicht op grond van het feit dat hij een uitkering uit
Nederland ontving, hetzij vanwege deelname aan de vrijwillige
verzekering.
Op grond van artikel 13a, aanhef en onder a, van de Anw wordt zo nodig
in afwijking van artikel 13 en de daarop berustende bepalingen als
verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van de
Anw voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van
een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de echtgenoot van eiseres op de
datum van zijn overlijden evenmin was verzekerd ingevolge de wettelijke
regelingen van Marokko, zodat hij op de dag van zijn overlijden ook niet
met toepassing van artikel 22 van het Algemeen Verdrag inzake Sociale
Zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk
Marokko van 14 februari 1972 als verzekerde kan worden aangemerkt.
De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder terecht heeft beslist dat
de echtgenoot van eiseres niet verzekerd was op het tijdstip van
overlijden, zodat eiseres geen recht heeft op een nabestaandenuitkering
ingevolge de Anw.”
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante in essentie haar in eerste aanleg
aangevoerde grieven herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in
vergelijking met appellantes stellingname in eerste aanleg geen nieuwe
gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen
brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de
rechtbank.
De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari
2007.
(get.) H.J. Simon.
(get.)
A. Kovács.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van
bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M. le maître H.J. Simon en présence de
le maître A. Kovács
en qualité de greffier, ainsi que prononcée en
public, le 23 février 2007
(get.) H.J. Simon.
(get.)
A. Kovács.
Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la
date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision
devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou
de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de
salaire au sens des articles 4 à 8 de la Loi de coordination des
assurances sociales.
|
|