|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 06/1123
ANW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2006,
04/6377 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 31 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Appellante
is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen
door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is in 1992 in Marokko gehuwd met [A.] en woont in Marokko.
Haar echtgenoot is in Nederland werkzaam geweest en is nadien
teruggekeerd naar Marokko. Hij heeft laatstelijk een ouderdomspensioen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangen. De echtgenoot van
appellante is op 31 juli 2003 in Marokko overleden. Vervolgens heeft
appellante aan de Svb verzocht een nabestaandenuitkering ingevolge de
Algemene nabestaandenwet (Anw) aan haar toe te kennen.
Bij beslissing op bezwaar van 18 november 2004 (hierna: het bestreden
besluit) heeft de Svb zijn besluit van 20 november 2003 gehandhaafd,
waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te
kennen, omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet
verzekerd was ingevolge de Anw. Daarbij heeft de Svb erop gewezen dat
met ingang van 1 januari 2000 artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna:
KB 746) is vervallen en dat de echtgenoot van appellante zich vanaf die
datum niet heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering krachtens,
onder meer, de Anw. Voorts is overwogen dat ook op grond van artikel 22
van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (hierna: het Verdrag) geen recht
bestaat op een Nederlandse nabestaandenuitkering, nu niet is gebleken
dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd
was krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen.
De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak
onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar
echtgenoot dacht dat hij nog verzekerd was krachtens de Anw
en dat zij
bereid is alsnog premie te betalen voor een vrijwillige verzekering
ingevolge de Anw
vanaf 1 januari 2000.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak terecht het standpunt van de Svb heeft
onderschreven dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn
overlijden op 31 juli 2003 niet verzekerd was krachtens de Anw.
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 13 van de Anw
is verzekerd krachtens die wet degene
die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in
Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is
onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn
overlijden in Marokko woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was
hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd.
Voorts was op grond van artikel 26 van KB 746, zoals dit artikel luidde
tot 1 januari 2000, kort samengevat, ook verzekerd krachtens de
volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de
dag van vertrek een bepaalde Nederlandse uitkering, zoals bijvoorbeeld
een ouderdomspensioen krachtens de AOW, ontving ter hoogte van ten
minste een nader omschreven bedrag per maand. Deze bepaling is met
ingang van 1 januari 2000 vervallen. Personen, zoals de echtgenoot van
appellante, die tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd waren krachtens
de volksverzekeringen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich
vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren krachtens onder meer de Anw. Niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante van deze
mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Dit betekent dat de echtgenoot van
appellante op 31 juli 2003 niet meer verzekerd was krachtens de Anw,
zodat geen aanspraak bestaat op een nabestaandenuitkering krachtens die
wet.
Voorts stelt de Raad vast dat door appellante niet is betwist dat haar
echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de
Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 22 van het Verdrag
geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering kan bestaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 31 mei 2007.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|