|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/5019
ANW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2004, 04/55
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 7 juni 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op 3 juni 2005 nog een brief aan de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2007.
Appellant is daarbij verschenen. De Svb heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent de Svb de
taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door
de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens
verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant ontvangt vanaf september 1999 een nabestaandenuitkering
ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). Bij besluit van 15 mei 2002
heeft de Svb de nabestaandenuitkering van appellant herzien en nader
vastgesteld over het tijdvak van mei 2000 tot en met augustus 2001, in
verband met inkomsten uit arbeid van appellant. Deze nadere vaststelling
heeft geleid tot een nabetaling aan appellant over voornoemd tijdvak van
€ 722,32.
In juni 2002 heeft appellant aan de Svb medegedeeld dat zijn salaris per
1 juli 2002 zou wijzigen, omdat hij meer uren per week zou gaan werken.
De Svb heeft vervolgens bij besluit van 29 juli 2002 de
nabestaandenuitkering van appellant herzien uitgaande van een hoger
bedrag aan inkomen uit arbeid. Na kennisneming van loonstroken van
appellant over het tijdvak van september 2001 tot en met juli 2002 heeft
de Svb bij besluit van 3 september 2002 de nabestaandenuitkering van
appellant over laatstgenoemd tijdvak nader vastgesteld, hetgeen heeft
geleid tot een nabetaling van € 421,58 netto aan appellant.
Vervolgens heeft appellant medegedeeld dat zijn inkomen uit arbeid niet
juist is vastgesteld en heeft hij verzocht om een nadere vaststelling
van dat inkomen. Bij besluit van 6 juni 2003 heeft de Svb de
nabestaandenuitkering van appellant vanaf september 1999 tot en met
maart 2003 nader vastgesteld op in dat besluit genoemde bedragen. In een
begeleidende brief bij dat besluit heeft de Svb aan appellant
medegedeeld dat het voornemen bestaat de over voornoemd tijdvak
onverschuldigd betaalde uitkering ad € 1.212,49 terug te vorderen.
Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2003 (hierna: het bestreden
besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond
verklaard. De Svb is nader van oordeel dat ten onrechte besloten is tot
herziening van de nabestaandenuitkering over het tijdvak van september
1999 tot en met november 2001, omdat het appellant niet redelijkerwijs
duidelijk kon zijn dat zijn inkomen gedurende dit tijdvak onjuist was
vastgesteld, nu de Svb reeds eerder herzieningsbesluiten had genomen met
betrekking tot dit tijdvak. Voorts is overwogen dat het inkomen vanaf de
maand december 2001 eerder gedeeltelijk onjuist was vastgesteld, omdat
geen rekening was gehouden met een uitbetaalde compensatie premieheffing
over de maand december 2001, een nabetaling over de maand juni 2002 en
een verhoging van het inkomen van appellant vanaf oktober 2002. De
hoogte van het onverschuldigd betaalde bedrag aan nabestaandenuitkering
is nader vastgesteld op € 897,54.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard, overwegende dat de Svb de reiskostenvergoeding
terecht als inkomen heeft aangemerkt en dat het appellant redelijkerwijs
duidelijk had kunnen zijn dat hij vanaf december 2001 te veel uitkering
ontving.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de Svb bij de
vaststelling van het inkomen ten onrechte rekening heeft gehouden met de
fiscale bijtelling. Voorts heeft appellant opgemerkt dat de Svb zich
onbehoorlijk en onfatsoenlijk opstelt door de nabestaandenuitkering
voortdurend opnieuw vast te stellen.
De Raad overweegt het volgende.
Tussen partijen is allereerst in geschil of de rechtbank terecht heeft
geoordeeld dat de Svb bij het bestreden besluit het inkomen van
appellant voor de vaststelling van de hoogte van zijn
nabestaandenuitkering juist heeft vastgesteld vanaf 1 december 2001.
Met betrekking tot dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat uit de
gedingstukken blijkt dat de Svb reeds bij het besluit van 3 september
2002 rekening heeft gehouden met de fiscaal belaste reiskostenvergoeding
van appellant, zodat ten aanzien van deze vergoeding geen sprake is van
een herziening van het inkomen. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel
van de rechtbank, met betrekking tot de reiskosten als
inkomensbestanddeel, en de gronden waarop zij tot dit oordeel is
gekomen.
Uit een vergelijking van de in het besluit van 3 september 2002 als
inkomen van appellant genoemde bedragen met de bedragen genoemd in het
besluit van 6 juni 2003, blijkt voorts dat gedurende het tijdvak van 1
december 2001 tot 1 oktober 2002 slechts ten aanzien van de maanden
december 2001 en juni 2002 sprake is van een wijziging van het
vastgestelde inkomen. Deze wijziging was blijkens het bestreden besluit
nodig, omdat geen rekening was gehouden met de aan appellant uitbetaalde
compensatie premieheffing in december 2001 en met een nabetaling in
juni 2002. De Raad is van oordeel dat de Svb deze beide loonbestanddelen
terecht als inkomen uit arbeid, als bedoeld in het Inkomens- en
samenloopbesluit Anw, heeft aangemerkt. Ten slotte heeft de Svb vanaf
1 oktober 2002 terecht rekening gehouden met de hogere inkomsten van
appellant uit arbeid.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de in het besluit van 6 juni
2003 vastgestelde aanspraken van appellant op uitkering ingevolge de Anw
vanaf 1 december 2001 tot en met maart 2003 juist zijn berekend en dat
de Svb aan appellant over dat tijdvak te veel nabestaandenuitkering
heeft betaald. Tussen partijen is in hoger beroep voorts in geschil of
de Svb met recht de uitkering van appellant met terugwerkende kracht tot
1 december 2001 heeft herzien.
Met betrekking tot de herziening van het recht op Anw-uitkering merkt de
Raad op dat uit artikel 34, eerste lid van de Anw
volgt dat indien de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb
gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken.
Uitgangspunt van artikel 34 van de Anw
is blijkens de wetsgeschiedenis
dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat
aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de
rechtspraak is ontwikkeld. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten
aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene
met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene
rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of
intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene
al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen
onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. De Raad heeft
al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd komen met
enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel,
waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel van de
rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
De Raad wijst er in dit verband allereerst op dat het appellant, na zijn
loonsverhoging per 1 oktober 2003, redelijkerwijs duidelijk had kunnen
zijn dat hij vanaf die maand te veel Anw-uitkering ontving. Ten aanzien
van de maanden december 2001 en juni 2002 heeft appellant er terecht
opgewezen dat de Svb reeds op 3 september 2002 een herzieningsbesluit
met betrekking tot - onder meer - deze kwartalen heeft genomen. Hoewel
sprake is van een situatie die gelijkenis vertoont met de maanden
gelegen vóór december 2001, ten aanzien waarvan de Svb heeft afgezien
van een nadere herziening van de Anw-uitkering, is de Raad van oordeel
dat de Svb gelet op de in dit geschil aan de orde zijnde feiten en
omstandigheden niet gehouden kan worden geacht ook ten aanzien van deze
twee maanden - in strijd met artikel 34 van de Anw
- af te zien van
herziening. Daarbij acht de Raad van belang dat de Svb twee betrekkelijk
substantiële inkomensbestanddelen eerder niet heeft betrokken bij de
vaststelling van het inkomen van appellant, en het appellant
redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat deze inkomsten van belang
waren voor de vaststelling van de hoogte van zijn inkomen in verband met
de korting op zijn Anw-uitkering. De Svb heeft derhalve met inachtneming
van het hiervoor omschreven beleid terecht besloten tot herziening van
de aan appellant toegekende Anw-uitkering over het tijdvak van 1
december 2001 tot en met maart 2003.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en B.J. van
der Net en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 juni
2007.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
|
|