|
Uitspraak
99/3428
Anw [lees: 99/3428 AKW, red.]
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellante,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 november 1997 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond
verklaard tegen
zijn besluit van 25 maart 1997, houdende de weigering van toekenning van
kinderbijslag
aan appellante ten behoeve van twee in de Dominicaanse Republiek wonende
kinderen.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 23 juni
1999 het beroep
tegen het besluit van 17 november 1997 ongegrond verklaard.
Van deze uitspraak is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op de bij
beroepschrift van
30 juni 1999 aangevoerde gronden namens appellante in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft bij memorie van 23 december 1999 verweer gevoerd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van
21 februari 2001, waar geen van partijen is verschenen.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft een aanvraag om kinderbijslag ingaande het derde
kwartaal van 1994,
gedaan door de echtgenoot van appellante, ten behoeve van twee kinderen
(geboren [in]
1984 en [in] 1988) uit een niet-huwelijkse relatie van hem met de in de
Dominicaanse
Republiek wonende moeders.
Deze aanvraag is afgewezen, voor zoveel thans van belang, op de grond dat
de kinderen niet
als eigen kinderen van de echtgenoot van appellante kunnen worden
aangemerkt.
De rechtbank heeft dit standpunt van gedaagde onderschreven, en het
beroep ongegrond
verklaard onder de volgende overwegingen:
"Ingevolge artikel 7 van de AKW, zoals dat artikel ten tijde hier
van belang luidde,
heeft een verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op
kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind.
In het onderhavige geval stelt eiseres dat de kinderen van haar
echtgenoot als eigen
kinderen in de zin van de AKW moeten worden aangemerkt.
Onder eigen kinderen in de zin van de AKW worden verstaan de wettige en
natuurlijke kinderen van een vrouwelijke verzekerde en de wettige en
door hem
erkende kinderen van een mannelijke verzekerde. Voor de vraag of een
kind eigen is
in de zin van de AKW acht de rechtbank beslissend of de erkenning naar
vreemd
recht wat betreft de daarvoor geldende vereisten en de daaraan verbonden
rechtsgevolgen gelijk te stellen is met die naar Nederlands recht.
De rechtbank merkt in dit verband op dat het ingevolge artikel 1: 224,
eerste lid,
aanhef en onder d, van het (Nederlands) BW, zoals dit artikel luidde ten
tijde hier van
belang, een erkenning nietig is, indien zij is gedaan bij het leven van
de moeder
zonder haar voorafgaande schriftelijke toestemming.
In het onderhavige geval staat vast dat geen voorafgaande schriftelijke
toestemming is
gegeven door de moeders van [C.] en [D.]. Naar eiseres stelt is dit
volgens het recht
van de Dominicaanse Republiek niet vereist.
De rechtbank overweegt dat de geldende vereisten voor erkenning naar het
recht van
de Dominicaanse republiek in dit geval niet gelijk te stellen zijn met
de vereisten
ingevolge het Nederlandse recht. Dientengevolge kan dan ook ten aanzien
van [C.] en
[D.] niet worden gesproken van eigen kinderen in de zin van de AKW,
zodat nu ook
geen sprake is van een aangehuwd kind of een pleegkind, voor [C.] en [D.]
geen
aanspraak op kinderbijslag bestaat.
Met betrekking tot het beroep van eiseres op bescherming van
familieleven op grond
van artikel 8, eerste lid, van het EVRM stelt de rechtbank voorop dat
twijfel mogelijk
is of eiseres (en haar echtgenoot) dit beroep toekomt. Van een op
permanente basis
samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding van
eiseres en
haar echtgenoot met de kinderen [C.] en [D.] is immers geen sprake.
Volgens
Nederlandse rechtspraak met name op het terrein van het
Vreemdelingenrecht kan
niettemin onder bepaalde omstandigheden familieleven worden aangenomen,
ook als
het gezinsverband is verbroken. Indien, gelet op het vorenoverwogene, in
dit geval al
kan worden aangenomen dat aanspraak op de bescherming van familieleven
volgens
artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat, moet worden aangenomen dat,
alle
belangen in aanmerking genomen, en in het bijzonder het belang van
artikel 1: 224,
eerste lid, aanhef en onder d, van het BW, beoogt te beschermen, het
bepaalde in dit
artikelonderdeel een in artikel 8, tweede lid, van het EVRM voorziene,
gerechtvaardigde inbreuk zou vormen op de aanspraak op
familieleven."
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante herhaald hetgeen hij
in eerste aanleg
heeft aangevoerd, en daaraan toegevoegd:
"De rechtbank overweegt dat de geldende vereisten voor erkenning
naar het recht van
de Dominicaanse Republiek in dit geval niet gelijk te stellen zijn met
de vereisten
ingevolge het Nederlandse recht. Daarbij wordt echter miskend dat
voorafgaande
schriftelijke toestemming door de moeders van [C.] en [D.] volgens het
recht van de
Dominicaanse Republiek niet zijn vereist.
In de bestreden beschikking wordt tevens overwogen dat eiseres weliswaar
recht op
bescherming van familieleven op grond van artikel 8 lid 1 EVRM, maar dat
moet
worden aangenomen dat alle belangen in aanmerking worden genomen in
bijzonder
dat van artikel 1: 224 lid 1 aanleg en onder b BW gerechtvaardigd
inbreuk kan
worden gemaakt op aanspraak op familieleven. Daarbij verliest de
rechtbank uit het
oog dat vereisten voor het recht op erkenning van familie- en
gezinsleven niet zo
strict dienen te worden geïnterpreteerd dat daarmee bescherming van het
gezinsleven
in het geheel niet meer aan de orde is."
Het eerste deel van dit betoog treft geen doel, aangezien daarmee wordt
miskend dat het er
nu juist om gaat dat het Dominicaanse recht op dit punt afwijkt van het
Nederlandse. De
rechtbank heeft terecht beslissend geacht dat deze, naar Dominicaans
recht kennelijk
geldige, erkenning op het punt van de daarvoor geldende voorwaarden niet
overeenstemt
met de overeenkomstige Nederlandse rechtsfiguur.
Wat het tweede deel van het betoog betreft, overweegt de Raad dat naar
zijn oordeel het
beroep op artikel 8 EVRM op juiste gronden door de rechtbank is
verworpen en dat hij in
de stelling van de gemachtigde geen valide weerlegging daarvan vermag te
lezen.
Het beroep is terecht ongegrond verklaard, zodat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en
prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.
van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M. van Moorst.
|
|