|
Uitspraak
98/1766
AOW
V E R Z O E K
aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een prejudiciële
beslissing als bedoeld in artikel 177 van het EG-verdrag in het geding
tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A, weduwe van C, wonende te B, gedaagde.
I. FEITEN EN PROCESVERLOOP
Gedaagde, verder te noemen: A, is een Marokkaanse vrouw, geboren in
1929. Overeenkomstig het vaste beleid van appellant (nader: de SVB),
bevestigd in de jurisprudentie van deze Raad, wordt in het geval dat
alleen het geboortejaar bekend is, voor de toepassing van onder meer de
Algemene Ouderdomswet (AOW) de geboortedatum gesteld op 1 juli van dat
jaar, zodat A voor het onderhavige geding geacht wordt geboren te zijn
op 1 juli 1929. A heeft nooit inkomenvormende arbeid verricht. Zij is
gehuwd geweest met een Marokkaanse man, die in 1957 is overleden. Uit
het huwelijk is in 1944 een zoon geboren, D, die de Marokkaanse
nationaliteit heeft en als werknemer in Nederland woont. Ingaande 26
oktober 1988 heeft A zich vanuit Marokko in Nederland bij deze zoon
gevestigd. Op 22 november 1988 is haar door de Nederlandse autoriteiten
een vergunning tot verblijf verleend.
Op 27 april 1994 heeft A bij de SVB een ouderdomspensioen ingevolge de
AOW aangevraagd. Bij besluit van 15 juli 1994 is haar door de SVB met
ingang van 1 juli 1994 een AOW-pensioen toegekend ten bedrage van 12%
van het wettelijk pensioen voor een alleenstaande. Hierbij is overwogen
dat A tot haar 65ste levensjaar niet ingevolge de AOW verzekerd is
geweest van 1 januari 1957 tot 26 oktober 1988, alsmede dat zij niet
voldoet aan de voorwaarden om de jaren, gelegen vanaf haar 15de
levensjaar en vóór de inwerkingtreding van die wet op 1 januari 1957
(de zogenoemde overgangsvoordelen, zie artikel 55 AOW) mee te tellen
voor de berekening van het pensioen.
Dit besluit is, na bezwaar van de kant van A, door de SVB gehandhaafd
bij het in dit geding bestreden besluit van 27 september 1994. In de
overwegingen van dat besluit is met name ingegaan op de mogelijkheid om,
mede op grond van communautair, c.q. internationaal recht, de
Marokkaanse nationaliteit van A gelijk te stellen met de Nederlandse,
zijnde dit één van de voorwaarden om de jaren vóór 1957 bij de
pensioenberekening mee te tellen (zie artikel 56 AOW).
Namens A heeft de advocaat mr. A.E.L.T. Balkema te Utrecht tegen dit
besluit beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Utrecht. Na
de behandeling ter zitting van de rechtbank d.d. 3 juli 1995 is het
onderzoek heropend voor een nader onderzoek naar de
communautairrechtelijke, c.q. internationaalrechtelijke aspecten van de
zaak. Bij brieven van 12, respectievelijk 19 januari 1996 heeft de
rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij de verdere behandeling van de
zaak aanhoudt totdat het Hof van Justitie arrest heeft gewezen in de
zaak C-126/95 (zie het arrest Hallouzi-Choho d.d. 3 oktober 1996, Jur.
1996, I-4821).
De SVB heeft na kennisneming van dit arrest aan de rechtbank meegedeeld
dat hij daarin geen grond ziet tot wijziging van zijn standpunt, dat op
dit punt inhoudt dat A terzake van de gelijkstelling van haar
nationaliteit met de Nederlandse geen beroep toekomt op artikel 41,
eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko van
27 april 1976 (zie Verordening nr. 221/78, Publikatieblad L 264 d.d. 27
september 1978).
Na hernieuwde behandeling ter zitting heeft de rechtbank uitspraak
gedaan op 15 januari 1998. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de
SVB door op grond van de nationaliteit van A niet de jaren vóór 1957
bij de berekening van haar AOW-pensioen mee te tellen, heeft gehandeld
in strijd met artikel 41, eerste lid, van voormelde
Samenwerkingsovereenkomst. Op die grond heeft de rechtbank het besluit
van de SVB vernietigd voorzover daarbij op het aan A ingaande 1 juli
1994 toegekende pensioen een korting van 88% is toegepast, en heeft zij
de SVB opgedragen een nieuw besluit te nemen; voor de overwegingen van
de rechtbank, alsmede een weergave van de standpunten van partijen,
verwijst de Raad naar de aan dit verzoek gehechte uitspraak.
In hoger beroep heeft de SVB het standpunt gehandhaafd dat A geen
gezinslid in de zin van artikel 41, eerste lid, van de
Samenwerkingsovereenkomst is en derhalve aan die bepaling geen aanspraak
op gelijkstelling van haar nationaliteit kan ontlenen; verwezen wordt
naar het bijgevoegde beroepschrift d.d. 7 april 1998. De advocaat van A
heeft verklaard zich te kunnen verenigen met de uitspraak van de
rechtbank. De Centrale Raad van Beroep heeft het geding behandeld ter
zitting van 3 februari 1999, waarna het onderzoek is heropend teneinde
de hierna te formuleren prejudiciële vraag tot het Hof van Justitie te
richten.
II. OVERWEGINGEN
Preliminaire overwegingen bij het geschil
Bij de behandeling van het geding in hoger beroep is naar voren gekomen
dat het bestreden besluit van de SVB d.d. 27 september 1994 op het punt
van de weigering om jaren vóór 1957 bij de pensioenberekening mee te
tellen weliswaar steunt op de overweging dat de nationaliteit van A niet
kan worden gelijkgesteld met de Nederlandse, maar dat aan de bedoelde
meetelling mede in de weg staat de wettelijke voorwaarde van artikel 55
van de AOW, inhoudende dat de betrokkene na zijn 59ste levensjaar
gedurende zes jaren in Nederland (of de Nederlandse Antillen of Aruba)
heeft gewoond. Dit was immers op de datum in geding, 1 juli 1994, ten
aanzien van A nog niet het geval, doch eerst op 26 oktober van dat jaar.
Zo gezien kan het bestreden besluit in stand blijven, ook al zou de
Centrale Raad van Beroep tot het oordeel komen dat de nationaliteit van
A gelijk dient te worden gesteld met de Nederlandse.
In overweging nemend - dat het geschil tussen partijen zich van meet af
aan heeft toegespitst op het vraagpunt van de gelijkstelling van
nationaliteit;
dat dit punt tevens de dragende grond vormt van het bestreden besluit
van de SVB;
dat het onderhavige geding lopende is vanaf oktober 1994;
dat een uitspraak van deze Raad, inhoudende dat het AOW-pensioen van A
ingaande 1 juli 1994 correct is vastgesteld, onvermijdelijk tot een
nieuwe procedure betreffende haar aanspraken ingaande 26 oktober 1994
zal leiden, waarbij niet te verwachten valt dat ten aanzien van het
onderhavige geschil nieuwe gezichtspunten naar voren zullen komen;
dat partijen ter zitting van de Raad eensgezind erop hebben
aangedrongen, mocht de Raad overwegen een prejudiciële vraag te
stellen, zulks in dit geding te doen; heeft de Raad, van oordeel dat
voor de oplossing van het geschil betreffende de gelijkstelling van
nationaliteit de toepassing van artikel 177 EG-verdrag noodzakelijk is,
besloten aan dat laatstbedoelde verzoek gevolg te geven.
Overwegingen ten aanzien van het geschil
Het geding voor de Centrale Raad van Beroep betreft de vraag of de
nationaliteit van A in de weg staat aan haar aanspraak op de
overgangsvoordelen-AOW. Met betrekking tot de plaats van die
overgangsvoordelen binnen het stelsel van de AOW heeft het Hof van
Justitie in het reeds genoemde arrest Hallouzi-Choho overwogen:
"Met de Algemene Ouderdomswet (hierna: "AOW") is in
Nederland een stelsel van ouderdomspensioenen in het leven geroepen
waarbij een ieder is aangesloten die op het grondgebied van deze
Lid-Staat woonachtig is, alsook degene die terzake van in Nederland in
dienstbetrekking verrichte arbeid aan de Nederlandse loonbelasting
onderworpen is. Voor de AOW-verzekering moet premie worden betaald. De
hoogte van het ouderdomspensioen hangt af van het aantal tussen de 15de
en 65ste verjaardag van de verzekerde vervulde verzekerde jaren. Het
volledige pensioen komt derhalve overeen met een verzekeringstijdvak van
50 jaar. Wanneer het verzekeringstijdvak korter is dan 50 jaar, wordt
voor ieder onverzekerd jaar een korting toegepast van 2%. Aangezien de
AOW op 1 januari 1957 in werking is getreden, zou vóór het jaar 2007
niemand aanspraak kunnen maken op een volledig pensioen. Om deze
situatie op te lossen is in de artikelen 55 en 56 AOW een
overgangsregeling getroffen, volgens welke de jaren tussen de 15de
verjaardag van de verzekerde en 1 januari 1957 met verzekerde jaren uit
hoofde van de AOW worden gelijkgesteld mits de verzekerde tussen zijn
59ste en 65ste jaar in Nederland heeft gewoond, na zijn 65ste jaar in
Nederland blijft wonen en Nederlander is. Het nationaliteitsvereiste
geldt evenwel niet voor personen die binnen de werkingssfeer vallen van
verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende
de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de
Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening
(EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz 6;
hierna: "verordening nr. 1408/71"), voor werknemers die
onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte en
voor onderdanen van een land waarmee het Koninkrijk der Nederlanden een
bilaterale socialezekerheidsovereenkomst heeft gesloten waarin een
gelijkstelling met Nederlanders is opgenomen. Voorts is het
nationaliteitsvereiste afgezwakt bij Koninklijk besluit van 15 november
1985, zoals nadien gewijzigd, volgens hetwelk met Nederlanders worden
gelijkgesteld, zolang zij in Nederland wonen, niet- Nederlanders die na
het bereiken van de twintigjarige leeftijd gedurende ten minste vijftien
jaar al dan niet onafgebroken in Nederland hebben gewoond, mits zij
gedurende de vijf aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd
onmiddellijk voorafgaande jaren onafgebroken in Nederland hebben
gewoond."
Wat betreft het laatste in deze overwegingen vermelde punt merkt de Raad
op dat A aan de daar genoemde voorwaarde voor gelijkstelling van
nationaliteit pas in 2003 zou kunnen voldoen, maar dat blijkens
mededelingen ter zitting op 3 februari 1999 haar inmiddels ingaande
november 1998 overgangsvoordelen-AOW zijn toegekend, aangezien A thans
de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
Uit overweging 27 van het geciteerde arrest blijkt verder dat de overgangsvoordelen-AOW vallen "binnen de
werkingssfeer van de
EG-verordening nr 1408/71 en dus ook binnen die van artikel 41, lid 1,
van de Overeenkomst" (lees: de reeds vermelde
Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko). Gelet op dit arrest,
gezien in verband met andere jurisprudentie van het Hof als de arresten
Kziber (Jur. 1991, I-199), Yousfi (Jur. 1994, I-1353) en Krid (Jur.
1995, I-719), kan worden geconcludeerd dat de (Marokkaanse)
nationaliteit van A voor het onderhavige geval communautairrechtelijk
dient te worden gelijkgesteld met de Nederlandse indien zij als
gezinslid van een werknemer, in de zin van artikel 41, eerste lid van
de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko, kan worden
aangemerkt. Of een persoon als A als zodanig moet worden beschouwd, kan
de Raad uit de genoemde (of andere) jurisprudentie van het Hof van
Justitie niet rechtstreeks afleiden. Van belang lijkt te zijn het
antwoord op de vraag of de betekenis en draagwijdte van dit begrip in de
Overeenkomst van zelfstandige aard zijn en derhalve primair binnen de
doelstellingen daarvan moeten worden uitgelegd, dan wel of voor de
interpretatie (mede) aansluiting moet worden gezocht bij de
gemeenschapsverordeningen nr. 1612/68 of nr. 1408/71, in welk laatste
geval tevens betekenis lijkt toe te komen aan de nationale uitleg van
dit begrip; met name de rechtbank en de SVB hebben aan deze vraag
uitgebreid aandacht besteed, zodat de Raad verwijst naar de bijgevoegde,
reeds genoemde stukken. De Raad merkt nog op dat, strikt nationaal
gesproken, een persoon in de positie van A in het spraakgebruik niet als
gezinslid wordt beschouwd, terwijl haar, voorzover de Raad kan zien, op
sociaal verzekeringsrechtelijk gebied in die hoedanigheid evenmin
rechten toekomen uit hoofde van de verzekeringspositie van haar zoon.
Ten slotte veroorlooft de Raad zich te verwijzen naar de bij het Hof van
Justitie aanhangige zaak C-179/98 (België/Mesbah), welke mogelijkerwijs
raakvlakken heeft met de onderhavige procedure.
Op grond van het vorenstaande beslist de Raad de navolgende
vraagstelling aan het Hof van Justitie voor te leggen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wijze
van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 177 EG-verdrag
antwoord te geven op de volgende vraag:
"Moet onder "gezinslid" in de zin van artikel 41, eerste
lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko d.d. 27
april 1976 mede worden verstaan de alleenstaande moeder van een
Marokkaanse werknemer, die, nadat deze laatstgenoemde zich op volwassen
leeftijd op het grondgebied van een lidstaat van de gemeenschap heeft
gevestigd, zich metterwoon bij hem heeft gevoegd"?
- houdt in verband met de toepassing van artikel 177 EG-verdrag de
verdere behandeling van het geding aan totdat het Hof van Justitie
arrest zal hebben gewezen.
Aldus gegeven op 24 maart 1999 door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en
mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr.
S. Breuls als griffier.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) S. Breuls.
|
|