|
Uitspraak
98/3042
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 2 juli 1993 heeft gedaagde aan appellant met ingang van
1 april 1993 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet
(AOW) toegekend ten bedrage van 96% van het pensioen voor een gehuwde
met een echtgenoot jonger dan 65 jaar.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 27 maart
1998 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant gevorderd dat de korting op zijn
AOW-pensioen wordt teruggebracht tot 2%.
Gedaagde heeft verweer gevoerd bij memorie van 31 augustus 1998.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 2000.
Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde is verschenen bij
gemachtigde J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft, op basis van opgaven van de Belastingdienst en een
overzicht van appellants Duitse verzekering van de
Landesversicherungsanstalt Westfalen, aangenomen dat appellant niet
ingevolge de AOW verzekerd is geweest van 1 april 1960 tot 31 juli 1960,
van 13 augustus 1960 tot 24 juli 1961 en van 1 januari 1962 tot 1 februari 1963.
Blijkens de in eerste aanleg ingediende contramemorie moet voor 24 juli
1961 worden gelezen: 24 juni 1961, waardoor het totaal aan
niet-verzekerde tijd 2 jaar, 3 maanden en 11 dagen bedraagt. Voor de
korting ingevolge artikel 13 van de AOW wordt deze tijd afgerond op twee
jaren, zodat de korting op appellants pensioen op 2 x 2% = 4% is
vastgesteld.
De rechtbank heeft in haar uitspraak de standpunten van partijen als
volgt beoordeeld:
"Door eiser (thans: appellant) is met betrekking tot een gedeelte
van de tijdvakken, waarin door verweerder (thans: gedaagde) geen
verzekering aanwezig wordt geacht, aangevoerd dat hij vanaf september
1960 tot en met juli 1961 in Nederland werkzaam is geweest, dat hij van
16 juni 1962 tot 11 augustus 1962 op herhalingsoefening bij de
Koninklijke Marine in Nederland is geweest en vanaf 21 januari 1963
werkzaam was voor X.
Naar het oordeel van eiser had verweerder slechts een korting van 2% op
het pensioen en de toeslag mogen toepassen.
De rechtbank kan het door verweerder ingenomen standpunt dat aan de hand
van de opgave van de fiscus in het kader van de zogenoemde beperkte
registratie ingevolge de AOW en de AWW de niet-verzekerde tijdvakken
worden vastgesteld, onderschrijven. Ter zake wordt verwezen naar de -
aan
partijen gezonden - uitspraak van de CRvB van 23 juli 1997, reg.nr. AOW
1991/70. Van de zijde van eiser zijn geen gegevens overgelegd, die de
onjuistheid van genoemde tijdvakken aannemelijk maken.
De rechtbank heeft weliswaar moeten vaststellen dat verweerder de in
meergenoemde beperkte registratieformulieren genoemde tijdvakken in
enkele gevallen tot volle maanden heeft afgerond, maar heeft tevens
moeten constateren dat ook een exacte berekening van dag tot dag niet
tot een lagere korting op het pensioen aanleiding geeft. Op grond van de
beschikbare gegevens, waaronder tevens de opgave van de "Landesversiche-rungsanstalt
Westfalen", moet worden geconcludeerd dat eiser gedurende in totaal
meer dan 2 volle jaren niet verzekerd is geweest ingevolge de
AOW."
De Raad stelt zich achter deze beoordeling door de rechtbank. De in
hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaringen van derden omtrent
appellants arbeidsverleden kunnen onvoldoende afdoen aan de bewijskracht
van de verklaringen van de Belastingdienst, mede in aanmerking genomen
dat deze zijn opgesteld kort na de tijdvakken waarop zij betrekking
hebben. De Raad wijst verder op de exacte datering van de
niet-verzekerde tijdvakken in die verklaringen, welke voor de jaren 1960
en 1962, kennelijk aan de hand van nader verstrekte opgaven, in 1964,
respectievelijk 1965 zijn gecorrigeerd.
De aangevallen uitspraak kan worden bevestigd, zij het dat de Raad
daarbij buiten aanmerking laat hetgeen de rechtbank omtrent de korting
op de toeslag ten behoeve van appellants echtgenote heeft overwogen,
aangezien het daarop betrekking hebbende besluit in het geding bij de
rechtbank niet ter beoordeling stond.
Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in
tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1
maart 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|