|
Uitspraak
97/7242
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B (Duitsland), appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 8 juli 1996, in de thans aangevallen uitspraak aangeduid
als "besluit I", heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen zijn eerdere besluit van 19 januari 1996, houdende toekenning met ingang van
1 september 1994 van een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet
(AOW) ter grootte van 2% van het wettelijke pensioenbedrag, ongegrond
verklaard.
Bij brief van 25 maart 1997, in de aangevallen uitspraak aangeduid als
"besluit II", heeft gedaagde een gewijzigde motivering aan
voormeld besluit van 8 juli 1996 ten grondslag gelegd.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 25 juni
1997 het beroep tegen besluit I gegrond, en het beroep tegen besluit II
ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn AOW-pensioen zou
moeten worden berekend naar een verzekeringsduur van 4 jaar en 6,5
maanden.
Bij brief van 2 april 1998 heeft gedaagde voorgesteld een nader
onderzoek in te stellen naar aanleiding van de in hoger beroep door
appellant ingebrachte (nieuwe) gegevens. Voor dit onderzoek heeft de
Raad toestemming verleend bij brief van 25 juni 1998.
Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in brieven van gedaagde
d.dis 1 juli 1998, 31 augustus 1998 en 22 december 1998. In de laatste
brief heeft gedaagde meegedeeld zijn standpunt als verwoord in de reeds
genoemde brief van 25 maart 1997 te handhaven.
Appellant heeft nadien nog nadere stukken aan de Raad toegezonden.
Bij brief van 29 juli 1999 heeft de Raad vragen aan gedaagde gesteld,
welke bij brief van 26 augustus 1999 zijn beantwoord.
Bij brief van 24 november 1999 heeft de Raad vragen gesteld aan het
Centraal Bureau voor de Rijn- en Binnenvaart te Rotterdam, welke vragen
door dit bureau bij brief van 17 december 1999 en, na doorzending, door de Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Rijn- en Binnenvaart, bij brief van 21
december 1999 zijn beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 augustus 2000. Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde is
verschenen bij gemachtigde J.A.H. Dijcks, werkzaam bij de Sociale
Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De Raad vat de in rubriek I genoemde brief van gedaagde van 25 maart
1997 niet op als een nieuw besluit, maar als een wijziging van de
motivering van de beslissing op bezwaar van 8 juli 1996, nu in die brief
niet meer of anders is gesteld dan dat de grondslag voor de
(ongewijzigde) toekenning van een AOW-pensioen van 2% wordt gevormd door
152 verzekerde dagen, in plaats van de oorspronkelijk aangenomen 265.
Bij zijn aanvraag om ouderdomspensioen heeft appellant een overzicht
verstrekt van de dagen waarop hij, naar zijn inzicht, in het tijdvak van
26 april 1968 tot en met 27 februari 1975 ingevolge de AOW verzekerd is
geweest, namelijk 596.
Mede gelet op de stand van appellants Duitse verzekering heeft gedaagde
in zijn besluit van 19 januari 1996 vastgesteld dat appellant in het
tijdvak van 26 april 1968 tot 28 februari 1975 op 265 ingevolge de AOW
verzekerd is geweest.
In bezwaar heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd.
Naar aanleiding van vragen van de rechtbank bij de behandeling van het
beroep in eerste aanleg is gedaagde tot het inzicht gekomen dat op
appellant (niet de EG-verordeningen inzake de sociale zekerheid van
migrerende werknemers maar) de Verdragen betreffende de sociale
zekerheid van Rijnvarenden van 27 juli 1950 en van 13 februari 1961 van
toepassing zijn geweest. Dit heeft, in de visie van gedaagde, tot gevolg
dat slechts tot 1 februari 1970 - de datum van inwerkingtreding van het
Verdrag van 13 februari 1961 - tijdvakken van werkzaamheden op
Nederlandse schepen als AOW-verzekering voor appellant in aanmerking
kunnen worden genomen, hetgeen zou leiden tot een totaal van 152
verzekerde dagen.
Dit standpunt, neergelegd in de reeds genoemde brief van 25 maart 1997,
heeft gedaagde tot in hoger beroep gehandhaafd.
De Raad is, met de rechtbank en thans ook gedaagde, van oordeel dat op
appellant gedurende de tijd dat hij werkzaam is geweest op
(handels)schepen
in de Rijnvaart, de achtereenvolgende verdragen betreffende de sociale
zekerheid van Rijnvarenden van toepassing zijn geweest.
Tot 1 februari 1970 was dit het Verdrag van 27 juli 1950, waarvan
artikel 4, eerste lid, bepaalt dat de Rijnvarende slechts aan één
wetgeving onderworpen is en het tweede lid van hetzelfde artikel dat die
wetgeving is die van de staat waar zich de zetel van de onderneming
bevindt.
Op grond van de oorspronkelijke opgave van appellant heeft gedaagde
vastgesteld dat in de periode tot 1 februari 1970 op 152 dagen de
Nederlandse wetgeving op appellant van toepassing is geweest, zijnde hij
op dat aantal dagen werkzaam is geweest op schepen behorende tot een in
Nederland gevestigde onderneming.
Dit standpunt kan worden gevolgd, gelet op de beschikbare gegeven en in
aanmerking genomen dat het op zichzelf niet is bestreden. Feitelijk is
appellant, ook in zijn eigen opgave, niet op meer dagen dan zojuist
aangegeven werkzaam geweest; van doorbetaling van loon tijdens verlof
was geen sprake, en in de tussenliggende periodes was hij werkzaam voor
Duitse of Zwitserse ondernemingen, een en ander naar zijn eigen
verklaring.
Het op 1 februari 1970 in werking getreden Verdrag van 13 februari 1961
kent in artikel 6 een overeenkomstige bepaling als artikel 4 van het
voorgaande verdrag, maar wijkt voor hulpkrachten van die regel af, in
die zin dat, tot een nader te bepalen tijdstip, hulpkrachten die hun
woonplaats hebben in Duitsland, aan de Duitse wetgeving onderworpen
zijn.
Feitelijk staat vast dat appellant in de onderwerpelijke periode van
februari 1970 tot en met februari 1975 in Duitsland (Duisburg)
woonachtig was en dat hij in dat tijdvak voorzover hij werkzaam was op
Nederlandse Rijnschepen, als hulpkracht is aangeworven en werkzaam is
geweest.
De Raad kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat appellant
gedurende het tijdvak in geding te rekenen vanaf 1 februari 1970 aan de
Duitse wetgeving was onderworpen.
Derhalve kunnen vanaf laatstgenoemde datum geen tijdvakken als ingevolge
de AOW verzekerd meer worden aangemerkt.
In hoger beroep heeft appellant nog een overzicht verstrekt waaruit zou
blijken dat hij ook vóór de oorspronkelijk opgegeven (aanvangs)datum
april 1968 gedurende verscheidene tijdvakken Nederlands verzekerd zou
zijn geweest. Appellant heeft echter, ook na herhaald verzoek, geen
enkel ondersteunend objectief gegeven voor deze opgaven verstrekt, en
ook het onderzoek weergegeven in rubriek I van deze uitspraak heeft
niets concreets opgeleverd, zodat de Raad aan deze nadere stelling van
appellant voorbijgaat.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat gedaagde en de rechtbank op goede
gronden tot het oordeel zijn gekomen dat appellant gedurende (afgerond)
één jaar ingevolge de AOW verzekerd is geweest, zodat hem een pensioen
toekomt van 2% van het wettelijke bedrag.
Gelet op hetgeen in de aanhef van deze rubriek met betrekking tot de
aangevallen uitspraak is opgemerkt, moet in hoger beroep worden beslist
als onder III aangegeven.
Er zijn geen termen voor een veroordeling in proceskosten als bedoeld in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre daarbij het beroep tegen
besluit I gegrond, en het beroep tegen besluit II ongegrond is
verklaard;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep tegen gedaagdes besluit
van 8 juli 1996, zoals nader gemotiveerd bij brief van 25 maart 1997,
ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr.
M.F.
van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 oktober
2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
III. ENTSCHEID
Der Zentrale Berufungsrat;
In seiner Entscheidung:
Hebt die angefochtene Urteilverkündung auf insofern dabei die Berufung
gegen Beschluss I für begründet und die Berufung gegen Beschluss II für
unbegründet erklärt worden ist;
Erklärt die im eersten Rechtszug eingelegte Berufung gegen den
Beschluss des Beklagten vom 8 Juli 1996, wie met dem Schreiben vom 25 März
1997 genauer motiviert, für unbegründet.
Also gegeben von mr. (Dr.jur.) N.J. Haverkamp als Vorsitzendem und mr. (Dr.jur.)
F.P. Zwart und mr. (Dr.jur.) R. Kooper als Kammermitglieder, in
Anwesenheit von mr. (Dr.jur.) M.F. van Moorst und am 4 Oktober 2000 öffentlich
verkündet.
|
|