|
Uitspraak
96/4664
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
A., wonende te B. (Suriname), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 5 december 1994 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen zijn besluit van 9 augustus 1994, houdende de
weigering van toekenning van een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 23
april 1996 het beroep tegen het besluit van 5 december 1994 ongegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van
het besluit in stand blijven.
Appellant vordert in hoger beroep vernietiging van deze uitspraak op de
gronden aangevoerd bij beroepschrift van 13 mei 1996.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad 15 april 1998. Van
partijen is daar alleen appellant verschenen, vertegenwoordigd door R.
Kleuters, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
De door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit
berust op de schending van het voorschrift van artikel 7:2, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In eerste aanleg heeft gedaagde, naar aanleiding van de overweging in
het bestreden besluit dat hij desgevraagd geen gebruik heeft gemaakt van
de mogelijkheid van een hoorzitting ten kantore van appellant, het
navolgende aangevoerd:
"De Sociale Verzekeringsbank heeft tevens gesteld dat de heer A.
geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van een hoorzitting.
Ondergetekende is de mening toegedaan dat van hem in alle redelijkheid
niet verlangd kon worden in Nederland aanwezig te zijn op de
hoorzitting, gezien de onmogelijkheid, vooral financieel bezien, waarin
hij verkeert.
Tevens heeft de Verzekeringsbank verzuimd gebruik te maken van de
diensten van de hier te lande gevestigde Nederlandse Ambassade. De
Algemene wet bestuursrecht heeft nergens verplichtend voorgeschreven dat
een hoorzitting in Nederland dient plaats te vinden, aldus kan van de
verzekeringsbank wel verlangd worden, wilde zij zich niet schuldig maken
aan schending van de algemeen geldende normen en beginselen van
behoorlijk bestuur met name het beginsel van hoor en wederhoor. Dat de
hoorzitting hier te lande en wel op de Nederlandse Ambassade gehouden
kon worden".
Terzake heeft de rechtbank in haar uitspraak als volgt overwogen:
"Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) wordt de indiener van een bezwaarschrift door het
bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, alvorens op
het bezwaarschrift wordt beslist. Van het bieden van de gelegenheid om
gehoord te worden kan volgens artikel 7:3 Awb slechts worden afgezien in
bepaalde, limitatief opgesomde gevallen. Artikel 7:12, eerste lid, van
de Awb gebiedt het bestuursorgaan om, als geen gelegenheid is geboden
aan de indiener om zich te doen horen, in de motivering van de
beslissing op bezwaar weer te geven op welke grond zulks achterwege is
gelaten.
De rechtbank zal allereerst ingaan op eisers stelling dat verweerder in
strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur, omdat verzuimd is gebruik te maken van de mogelijkheid de
hoorzitting op de Nederlandse ambassade in Paramaribo te houden. De rechtbank kan zich niet verenigen met deze
stelling van eiser. Nu de wet geen andere eis stelt dan dat betrokkene
in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord en eiser voorts
de mogelijkheid had om zich bij verhindering om welke reden dan ook, te
laten vertegenwoordigen op een (eventuele) hoorzitting, op welke
mogelijkheid verweerder hem heeft gewezen, is verweerder naar het
oordeel van de rechtbank door het stellen van de voorwaarde een
(eventuele) hoorzitting te doen laten plaatsvinden op verweerders
kantoor te Amsterdam, niet in strijd gekomen met de wet of met enig
beginsel van behoorlijk bestuur.
Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit
anderszins wel voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank
overweegt dienaangaande het volgende.
Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het
primaire besluit van 9 augustus 1994 aan eiser bij brief van 1 september
1994 wel medegedeeld dat hij om een hoorzitting kom vragen, maar
feitelijk niet aan eiser de gelegenheid geboden zich op een bepaalde
tijd en plaats te doen horen. Blijkens de laatste zin van verweerders
brief aan eiser van 1 september 1994 is de mogelijkheid voor eiser om
zich te doen horen afhankelijk gemaakt van het vereiste dat hij binnen
vier weken op genoemde brief zou reageren.
Volgens naar het oordeel van de rechtbank ook te dezen nog toepasselijke
jurisprudentie (zie al ARRS 9 maart 1982, nr. 3.3357, en ARRS 1 juni
1982, nr. A-2.2995; van dezelfde strekking recentelijk ook CRvB 20 oktober
1994, WUV 1994/10, JSV 1995,35) is het met (thans) artikel 7:2, eerste
lid, en artikel 7:3 Awb weliswaar verenigbaar dat wordt geďnformeerd of
de indiener van een bezwaarschrift daarover wenst te worden gehoord,
maar mag dat er niet toe leiden dat het bieden van de gelegenheid zich
te laten horen afhankelijk wordt gemaakt van een niet in de wet voorziene
formaliteit, zoals in casu het binnen een bepaalde termijn reageren op
verzoeken van verweerder om contact op te nemen."
De Raad kan zich met deze overwegingen verenigen.
Naar het oordeel van de Raad is in casu niet voldaan aan de voorwaarden
waaronder van het horen kan worden afgezien, met name niet aan die van
artikel 7:3, onder c, van de Awb.
Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat de rechtbank, door het
beroep gegrond te verklaren wegens schending van artikel 7:2 van de Awb,
buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is getreden. De
Raad deelt die zienswijze niet. In eerste aanleg heeft gedaagde gesteld
dat terzake van het horen in de bezwaarprocedure rechtsnormen zijn
overtreden. Door te onderzoeken of bij het horen de toepasselijke
voorschriften zijn nageleefd, heeft de rechtbank niet meer gedaan dan
haar bij artikel 8:69, eerste en tweede lid, van de Awb is opgedragen.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Van appellant
dient ingevolge artikel 22, derde lid, van de Beroepswet een recht te
worden geheven van f 630,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van de Sociale Verzekeringsbank een recht wordt geheven van
f 630,-.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en mr.
F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr.
S. Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 1998.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) S. Breuls.
|
|