|
Uitspraak
99/3130
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 27 augustus 1997 heeft gedaagde aan appellant, in
verband met diens aanspraak met ingang van 1 oktober 1997 op een
pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), ingaande dezelfde
datum een toeslag ingevolge de AOW toegekend ten bedrage van f 695,35
per maand.
Het bezwaar tegen dit besluit is bij het thans bestreden besluit van 24
december 1997 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het beroep tegen
laatstgenoemd besluit bij uitspraak van 20 april 1999 ongegrond
verklaard.
Appellant is van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen op
de bij beroepschrift van 11 juni 1999 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft verweer gevoerd bij memorie van 25 oktober 1999.
Bij brief van 30 maart 2000 heeft gedaagde een schriftelijke vraag van
de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 januari 2001.
Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde is verschenen bij
gemachtigden H. van de Most en J.A.J. Groenendaal, beiden werkzaam bij
de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Op de aan appellant ten behoeve van zijn echtgenote toegekende toeslag
ingevolge de AOW heeft gedaagde, om tot het in rubriek I vermelde bedrag
te komen, in mindering gebracht f 306,76 aan inkomen in verband met
arbeid van de echtgenote, en vervolgens 10% van het resterende bedrag op
grond van een niet-verzekerde periode van de echtgenote van (afgerond) 5
jaren (1 januari 1957 tot 1 september 1962).
Appellant bestrijdt de, wat hij noemt, dubbele korting op het wettelijke
bedrag van de toeslag.
De Raad is met de rechtbank van oordeel, dat de vermindering van de
toeslag met, achtereenvolgens, inkomen in de zin van de AOW van de
huwelijkspartner en een percentage uit hoofde van niet-verzekerde jaren
op zich genomen niet strijdig met enige rechtsregel kan worden geacht en
sluit zich op dit punt aan bij de overwegingen van de aangevallen
uitspraak.
Resteert de vraag, mede in verband met 's Raads uitspraak van 5 juli
2000 (USZ 2000, 221), of toereikende grondslag bestond om op de toeslag
het hierboven genoemde bedrag aan inkomsten in verband met arbeid in
mindering te brengen.
In genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat de in die casus aan de
echtgenote van de AOW-gerechtigde toegekende "Altersrente für
Frauen" ingevolge de Duitse wetgeving weliswaar als "inkomen
in verband met arbeid" in de zin van de artikelen 8 en 10 van de
AOW kon worden aangemerkt, maar dat het Inkomensbesluit AOW 1996 geen
grondslag bood om dat inkomen daadwerkelijk op de toeslag in mindering
te brengen.
Dit oordeel geldt ook voor deze zaak, waarin appellants echtgenote ten
tijde van belang aanspraak heeft op een Belgisch rustpensioen, zijnde
dat evenals de zojuist vermelde Altersrente aan te merken als een op een
wettelijke verzekering berustend ouderdomspensioen en als zodanig niet
"naar aard en strekking" overeenkomend met enige uitkering,
genoemd in het eerste lid van artikel 7 van het Inkomensbesluit AOW
1996. De verwijzing zijdens gedaagde naar onderdeel c van dat artikellid
("een uitkering op grond van een pensioenregeling... ") kan
naar het oordeel van de Raad geen doel treffen, omdat met die
omschrijving blijkens de toelichting is bedoeld: "... een
toezegging door de werkgever, een verplichtstelling, of een vrijwillige
voorziening of een vrijwillige voortzetting. In dit besluit gaat het om
aanvullend ouderdomspensioen... "
De Raad maakt hieruit op dat niet bedoeld is de uitkeringen op grond van
wettelijke ouderdomspensioenen onder genoemd onderdeel c te begrijpen.
In verband met het door gedaagde in hoger beroep verdedigde standpunt
merkt de Raad tenslotte op, dat hij in de omstandigheid dat het
criterium "naar aard en strekking overeenkomend met een uitkering
als bedoeld in dit lid" (artikel 7, eerste lid, onder j, van het
Inkomensbesluit AOW 1996) niet voorkwam in de voorganger van dit
Inkomensbesluit (zie artikel 6 onder d van de Beschikking van de
Staatssecretaris van SZW d.d. 31 maart 1988, Stcrt. 1988, 64), steun
vindt voor de opvatting dat met dat criterium bedoeld is een nadere
omlijning van het inkomensbegrip te geven.
Nu appellant te kennen heeft gegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen de
(enkele) korting op de toeslag wegens niet-verzekerde jaren van zijn
echtgenote en de rechtmatigheid van die korting voor de Raad niet aan
twijfel onderhevig is, kan op het hoger beroep worden beslist.
Het bestreden besluit wordt vernietigd, voorzover daarbij is gehandhaafd
het besluit tot in mindering brengen van inkomen in verband met arbeid
op de aan appellant toegekende toeslag. De aangevallen uitspraak,
waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient eveneens te
worden vernietigd. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van
appellant, begroot op f 47,60 aan reiskosten. Tevens dient gedaagde het
door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht
(totaal f 225,-) te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede gedaagdes besluit van 24
december 1997, voorzover daarbij is gehandhaafd het besluit tot het in
mindering brengen van een bedrag van f 306,76 aan inkomsten in verband
met arbeid op de aan appellant ingaande 1 oktober 1997 toekomende
toeslag;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
f 47,60 aan reiskosten;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant in eerste aanleg en in hoger
beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van f 225,- aan hem
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari
2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|