|
Uitspraak
99/2516
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant
en
de erven en/of rechtverkrijgenden van [A.], gewoond hebbende te [B.],
gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 31 januari 1997 heeft appellant, na bezwaar, gehandhaafd
zijn besluit van 7 november 1996, waarbij aan [A.] een toeslag op de hem
per 1 februari 1997 toekomende uitkering ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) is toegekend ten bedrage van f 204,09 bruto per
maand (excl. vakantietoeslag).
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 9 april
1999 het beroep van [A.] tegen het besluit van 31 januari 1997 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw
besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak.
Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 28 mei 1999,
heeft appellant in hoger beroep vernietiging van deze uitspraak en
ongegrondverklaring van het inleidende beroep gevorderd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 maart 2001.
Appellant is daar verschenen bij gemachtigde H. van der Most, werkzaam
bij de Sociale Verzekeringsbank. Gedaagden zijn niet verschenen.
II. MOTIVERING
[A.] verkreeg als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar
ingaande 1 februari 1997 aanspraak op AOW-pensioen. Aangezien zijn echtgenote op
die datum jonger was dan 65 jaar, had hij ingaande dezelfde datum in
beginsel tevens aanspraak op een toeslag op grond van de AOW. Appellant
heeft hem deze toeslag toegekend, onder het - volledig - in mindering
brengen daarop van de aan zijn echtgenote toekomende zogeheten
overbruggingsuitkering, welke is vastgesteld op een bedrag van f 830,65
per maand. Appellant heeft daarbij in aanmerking genomen dat de
overbruggingsuitkering moet worden aangemerkt als een uitkering op grond
van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling die naar
aard en strekking daarmee overeenkomt in de zin van artikel 7, eerste
lid, onder d, van het Inkomensbesluit AOW 1996, en daarom als
"inkomen in verband met arbeid" volledig op de toeslag in
mindering dient te worden gebracht.
[A.] heeft in eerste aanleg de rechtmatigheid van gedaagdes bestreden
besluit aangevochten, voorzover dat besluit inhoudt dat het voornoemde
inkomen van zijn echtgenote geheel op de toeslag in mindering wordt
gebracht.
De rechtbank heeft dit beroep gehonoreerd. Zij heeft daarbij, toetsend
aan de maatstaf van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), beoordeeld of er voldoende
gronden zijn om het verschil in behandeling te rechtvaardigen tussen een
AOW-gerechtigde met een partner jonger dan 65 jaar die inkomen uit
arbeid ontvangt - ten aanzien van wie bij de vaststelling van het recht
op toeslag de vrijlatingsregeling van artikel 11 AOW geldt -, en een
AOW-gerechtigde met een partner jonger dan 65 jaar die een uitkering als
de onderhavige ("VUT") ontvangt. Bij die beoordeling heeft de
rechtbank de ontstaansgeschiedenis van de Wet van 21 december 1995 (Stb. 696), waarbij de vrijlatingsregeling voor inkomen
in verband met arbeid in artikel 11 van de AOW met ingang van 1 juli
1996 is geschrapt, betrokken, alsmede die van de Algemene
nabestaandenwet (Anw), zoals geldend per 1 juli 1996 en nadien
gewijzigd. Terzake van die laatste wetgeving heeft de rechtbank
geconstateerd dat aanvankelijk bij de vaststelling van de hoogte van het
nabestaandenpensioen voor inkomen uit arbeid een gunstiger regeling gold
dan voor inkomen in verband met arbeid, maar dat bij Besluit van 8
december 1997, (Stb. 610) met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997 de
gunstige regeling is uitgebreid tot arbeidsvoorwaardelijke regelingen
(zoals de VUT-uitkering) door deze aan te merken als inkomen uit arbeid
en niet meer, als voordien, als inkomen in verband met arbeid.
Aanhakend bij een uitlating van de gemachtigde van (thans) appellant ter
zitting van de rechtbank, met de kennelijke strekking dat de wijziging
van artikel 11 AOW bij Wet van 21 december 1995 het gevolg is geweest
van de invoering van de Anw, heeft de rechtbank geconstateerd dat de
zojuist vermelde "reparatie" in de Anw bij het genoemde
Besluit van 8 december 1997 niet in de toeslagregeling van de AOW heeft
plaatsgevonden. Geen relevante verschillen tussen het karakter van de
Anw-uitkering en van de partnertoeslag in de AOW kunnende aanwijzen en
overwegende dat het onderscheid tussen inkomen uit en in verband met
arbeid in de AOW en de Anw hetzelfde doel dient, heeft de rechtbank
geconcludeerd dat geen rechtvaardiging bestaat voor het verschil in
behandeling van inkomen uit arbeid enerzijds en inkomen uit een VUT-uitkering anderzijds in de toeslagregeling van de AOW.
Naar aanleiding van het tegen dit oordeel gerichte hoger beroep van
appellant overweegt de Raad als volgt.
De Raad onderschrijft de stelling van appellant dat de vraag naar de
rechtvaardiging van het onderscheid tussen inkomen uit en in verband met
arbeid in de toeslagregeling van de AOW binnen het kader van die wet
moet worden beantwoord en dat die vraag in deze procedure aan de orde
is. Die rechtvaardiging moet worden gezocht in het motief van de
wetgever om deelname aan het arbeidsproces (van de jongere partner van
de AOW-gerechtigde) niet te ontmoedigen. De Raad ziet geen gronden voor
het oordeel dat op dit punt de toeslagregeling in de AOW de toetsing aan
artikel 26 IVBPR (of enig ander discriminatieverbod waaraan de rechter
die regeling vermag te toetsen) niet kan doorstaan. Uit de aangevallen
uitspraak blijkt, dat de rechtbank het onderscheid tussen inkomen uit en
in verband met arbeid op zich genomen eveneens legitiem acht, maar
vervolgens de toetsing aan artikel 26 IVBPR heeft verlegd naar de vraag
of een rechtvaardiging bestaat voor een op dat punt afwijkend
onderscheid in de AOW ten opzichte van de Anw.
In de visie van de Raad zou een dergelijke beoordeling echter
uitsluitend aan de orde kunnen komen, indien de toeslag in de AOW en het
nabestaandenpensioen in de Anw qua aard en strekking, ook en in het
bijzonder in hun relatie met het element van inkomensafhankelijkheid,
zozeer overeenkomstig zouden zijn dat geen enkele grondslag voor dat
onderling afwijkende onderscheid kan worden aangewezen.
Het is niet voor twijfel vatbaar dat daarvan geen sprake is. De
Anw-uitkering is - evenals het eigenlijke AOW-pensioen - een
basisvoorziening, waarnaast bepaalde aanvullende inkomsten kunnen
bestaan zonder dat het bedrag van de basisvoorziening wordt aangetast.
Het doel van de toeslagregeling is daarentegen het bewerkstelligen van
een overbrugging tussen het basispensioen en het relevante sociaal
minimum. Reeds dit verschil rechtvaardigt een onderling afwijkend regime
voor het in mindering brengen van neveninkomsten op het bedrag van de
betreffende uitkering en ontkracht het betoog van de rechtbank omtrent
de gelijkheid - in het kader van de toetsing aan artikel 26 IVBPR - van de
beide uitkeringen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding verder in te
gaan op de motieven van de wetgever om, bij nadere overweging, in de Anw
een versoepeling aan te brengen in het kortingsregime voor bepaalde
uitkeringen, of op de vraag of het opportuun is dit te realiseren door
het ook in andere regelingen, waaronder de AOW, gebruikte begrip
"inkomen uit arbeid" een afwijkende betekenis te geven.
Het hoger beroep treft doel, zodat de aangevallen uitspraak moet worden
vernietigd en het in eerste aanleg ingestelde beroep ongegrond moet
worden verklaard.
Er zijn geen termen voor een veroordeling in proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|