|
Uitspraak
99/1482
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij besluit van 26 mei 1998 aan gedaagde het recht op
overlijdensuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontzegd.
Bij besluit van 16 juli 1998, het bestreden besluit, heeft appellant het
bezwaar tegen het besluit van 26 mei 1998 ongegrond verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 15 maart
1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard
en dat besluit vernietigd, met opdracht tot het nemen van een nieuw
besluit, alsmede veroordeling van appellant in de proceskosten en
bepaling dat appellant het griffierecht vergoedt.
Appellant is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend alsmede een nader
verweerschrift, waarop door appellant schriftelijk is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 maart
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A.
Schimmel, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en gedaagde in
persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
De vader van gedaagde, [C.], die in het genot was van een pensioen
ingevolge de AOW en woonde in [D.], is in 1998 overleden, na een in 1996
aangevangen ziekteperiode. Gedaagde, die met haar echtgenoot in [B.]
woont, is in 1996 haar vader in verband met diens ziekte gaan verzorgen,
aanvankelijk vanuit haar eigen huis. Toen zich de noodzaak van
24-uursverpleging voordeed is zij, in oktober 1997, bij haar vader
ingetrokken en heeft bij hem gewoond tot zijn overlijden, waarna zij
naar haar eigen huis is teruggekeerd.
Gedaagde heeft een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 18 van de
AOW aangevraagd, welke bij het primaire besluit van 26 mei 1998,
gehandhaafd bij het bestreden besluit, is geweigerd. Deze weigering is
hierop gegrond, dat gedaagde niet is een - in bedoeld artikel 18
omschreven - persoon ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
Appellant heeft zich in dit verband in het besluit beperkt tot de
vaststelling dat gedaagde niet met haar vader in gezinsverband leefde,
hetgeen in het besluit aldus nader is geadstrueerd, dat het begrip
“leven in gezinsverband” samenvalt met het begrip “gezamenlijke
huishouding”, terwijl van een gezamenlijke huishouding in casu geen
sprake was.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de gelijkstelling van de
begrippen “leven in gezinsverband” en “gezamenlijke huishouding”
verworpen, en de vraag of gedaagde met haar vader in gezinsverband
leefde bevestigend beantwoord, daarbij lettend op de omstandigheden dat
gedaagde voor onbepaalde tijd bij haar vader was ingetrokken, dat zij
alle persoonlijke spullen had meegenomen, dat zij de hele week bij haar
vader verbleef en haar echtgenoot af en toe op bezoek kwam, dat zij haar
eigen werk, voor zover zij dat nog kon voortzetten, vanuit de woning van
haar vader verrichtte, dat zij vrienden, kennissen en zakenrelaties een
gewijzigd adres, namelijk de woning van haar vader, had doorgegeven, dat
zij haar vader geheel verzorgde en ook de huishouding van haar vader
verzorgde, en dat zij aan die huishouding deelnam.
Appellant heeft in hoger beroep ter zitting aangegeven dat zijn
standpunt over de verhouding tussen de begrippen “leven in
gezinsverband” en “gezamenlijke huishouding” aldus moet worden
begrepen, dat deze begrippen gemeenschappelijke elementen vertonen,
waaronder het element van de duurzaamheid, terwijl in casu van
duurzaamheid van het verblijf van gedaagde bij haar vader geen sprake
was.
De Raad beantwoordt de vraag of gedaagde met haar vader in gezinsverband
leefde, anders dan de rechtbank, ontkennend. Beslissend hiervoor acht de
Raad dat gedaagde in de periode thans in geding reeds vele jaren een
gezinsverband met een ander had, namelijk haar echtgenoot, welk
gezinsverband zij niet beoogd heeft te verbreken en na de verpleging van
haar vader heeft voortgezet. In dit verband moet de inwoning van
gedaagde bij haar vader, die uitsluitend gericht was op zijn verzorging
en verpleging, gezien worden als niet meer dan een opschorting van de
feitelijke samenwoning binnen het eigen gezinsverband.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak niet in stand
kan blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt daarom als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries en als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|