|
Uitspraak
99/1203
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 januari 1997 heeft gedaagde het verzoek van appellant
om met toepassing van artikel 25 van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 1989, 164
(verder te noemen: KB 164) de verleende vrijstelling van de verplichte
verzekering voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene
Weduwen- en Wezenwet (AWW) eerder te doen ingaan dan 13 juni 1995
afgewezen.
Bij het thans bestreden besluit van 23 mei 1997 heeft gedaagde
appellants bezwaar tegen het besluit van 14 januari 1997 ongegrond
verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 25
januari 1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. W.C.D.E. Wolfhagen, advocaat te Maastricht, op
daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 november
2000. Appellant is daar niet verschenen, en gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft appellant, die is geboren in 1930, bij besluit van 24
november 1995 ingaande 13 juni 1995, onder toepassing van het bepaalde
in artikel 24 van KB 164, vrijstelling verleend van de verplichte
verzekering ingevolge de AKW en de AWW. Het tegen dat besluit ingestelde
bezwaar, waarbij appellant heeft aangevoerd dat de vrijstelling dient te
worden verleend vanaf de datum dat hij in Nederland woont, te weten 15
maart 1993, is bij besluit van 29 april 1996 ongegrond verklaard, waarin
appellant heeft berust.
Bij brief van 10 december 1996 heeft appellant verzocht om met
toepassing van het bepaalde in artikel 25 van KB 164 de hiervoor
vermelde vrijstelling alsnog ingaande 4 maart 1993 te verlenen. Dit
verzoek is door gedaagde bij besluit van 14 januari 1997 afgewezen,
onder de overweging dat toepassing van artikel 25 van KB 164 slechts
mogelijk is in gevallen waarin iemand op grond van een bepaling in KB
164 is uitgesloten van de kring van verzekerden of onder de kring van
verzekerden is gebracht, hetgeen in appellants situatie niet aan de orde
is. Dit standpunt heeft gedaagde in het thans bestreden besluit
gehandhaafd.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat gedaagdes
opvatting aangaande artikel 25 van KB 164, gelet op de jurisprudentie
van de Raad ter zake, voor juist moet worden gehouden, en voorts dat
appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde hier van
belang door gedaagde ten onrechte als ingezetene is aangemerkt.
Appellant heeft in hoger beroep gemotiveerd aangevoerd dat hij niet als
ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt, maar dat zijn
hoofdverblijf, ook na maart 1993, in Duitsland is gelegen.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 25, eerste lid, van KB 164 luidde ten tijde hier van belang als
volgt:
"De Sociale Verzekeringsbank is bevoegd voor bepaalde
gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die
uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan krachtens dit
besluit kunnen voortvloeien."
De Raad stelt vast dat er ten aanzien van appellant geen sprake is van
een situatie waarin toepassing van KB 164 heeft geleid tot het aannemen
van de verzekeringsplicht, of tot de uitsluiting daarvan. Dat betekent
dat artikel 25 van KB 164 reeds om die reden niet kan worden toegepast,
zoals de Raad in vaste jurisprudentie heeft geoordeeld (onder meer
gepubliceerd in USZ 1998, 38).
Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot zijn
verzekeringsplicht uit hoofde van ingezetenschap, kan in dit geding niet
aan de orde komen, nu dat aspect buiten de grenzen van het thans aan de
orde zijnde geding valt.
Voor dit geding ten overvloede overweegt de Raad nog het volgende. De
ingangsdatum van de verleende vrijstelling voor de verplichte
verzekering voor de AKW en de AWW steunt op het bepaalde in artikel 24,
derde lid, van KB 164, waarin ten tijde van belang onder meer was
bepaald dat de vrijstelling niet eerder kan ingaan dan de datum van het
verzoek daartoe. Bij Besluit van 2 september 1998, Stb. 1998, 597, is
artikel 24 van KB 164 gewijzigd en is in het eerste lid van artikel II
van dat Besluit het volgende bepaald:
"Indien de toepassing van artikel 24, derde lid, van
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van dit besluit, heeft geleid tot een onbillijkheid van
overwegende aard, kan de Sociale Verzekeringsbank op verzoek van de
ingezetene die tussen 4 november 1994 en de dag waarop dit besluit in
werking treedt vrijstelling is verleend, besluiten dat die vrijstelling
terugwerkt tot ten hoogste drie jaar voorafgaand aan de datum van het
verzoek, met dien verstande dat deze niet verder terugwerkt dan tot aan
de datum waarop de aanspraak op de buitenlandse uitkering of op de
uitkering van de volkenrechtelijke organisatie is ontstaan."
Gelet op de datum waarop aan appellant de bedoelde vrijstelling is
verleend, kan hij zich alsnog tot gedaagde wenden, met het verzoek om
toepassing van het hiervoor vermelde artikel II.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake
een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en
mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|