|
Uitspraak
00/5375
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 21 mei 1999 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het in
het informatieblad "Inzicht" van gedaagde van mei 1999
opgenomen artikel met het opschrift "Betaling AOW en Anw
verschuift".
Bij besluit van 21 juni 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 2 oktober
2000 het beroep van appellant tegen dit besluit (hierna: het bestreden
besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft bij beroepschrift van 16 oktober 2000 tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij brief
van 7 februari 2001 onder overlegging van een tweetal producties heeft
gereageerd..
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 9 mei 2001, waar partijen - gedaagde met kennisgeving - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan het verweerschrift in de procedure in eerste aanleg ontleent de Raad
dat gedaagde met zijn informatieblad "Inzicht", waarin in een
artikel de verschuiving van betaaldata van AOW-pensioen en Anw-uitkering
vanaf juni 1999 is besproken, nog een aanvulling op dit artikel heeft
meegezonden, inhoudende informatie omtrent een ter zake van die
verschuiving getroffen overbruggingsregeling.
Uit de aanhef van het bezwaarschrift leidt de Raad af dat het bezwaar
van appellant alleen is gericht tegen de in het informatieblad
"Inzicht" opgenomen mededelingen omtrent de verschuiving van
bedoelde betaaldata.
Met betrekking tot dit bezwaar, dat inhoudt dat appellant de
voorgestelde verschuiving van betaaldata weinig sociaal en willekeurig
vindt, heeft gedaagde in het bestreden besluit overwogen dat dit niet is
gericht tegen een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als
verweerder zijn aangeduid, heeft de rechtbank voorop gesteld dat in deze
zaak ambtshalve allereerst de vraag dient te worden beantwoord of
appellant in zijn beroep ontvankelijk is. Daartoe heeft de rechtbank als
volgt overwogen:
"Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Bij de beoordeling of
iemand als belanghebbende moet worden aangemerkt, dient volgens
jurisprudentie van de bestuursrechter degene die in beroep gaat een
eigen en een voldoende concreet belang hebben. In het bezwaar- en
beroepschrift heeft eiser aangevoerd dat de verschuivingen in de
betaaldata van het ouderdomspensioen weinig sociaal zijn en dat het
nieuwe betaalsysteem grote willekeur en ongemak met zich meebrengen. De
rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde bezwaren onvoldoende
concrete en eigen belangen om hem in beroep te ontvangen. Eiser heeft
voor zijn situatie geen specifieke aan het thans voorliggende concrete
geschil te relateren belang naar voren gebracht. Volgens vaste
jurisprudentie is voor een ontvankelijk beroep vereist dat kan worden
gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden
procesbelang bij een beslissing van de rechtbank. Daarvan is niet
gebleken. Het komt de rechtbank voor dat het eiser veeleer gaat om een
principekwestie. Het is echter de taak van de rechter om geschillen te
beslechten en niet om, op verzoek van een van de partijen, bij wijze van
voorlichting overwegingen van principiλle aard in de uitspraak op te
nemen. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat door het
verschuiven van de betaaldata feitelijk een lager bedrag aan
AOW-uitkering wordt verstrekt, merkt de rechtbank op dat het verschuiven
van de betaaldata geen gevolgen heeft voor de omvang van de aanspraak op
een AOW-uitkering, hetgeen door verweerder verschillende malen is
bevestigd. Hierin kan derhalve evenmin een belang zijn gelegen. Het
beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens
gebrek aan belang".
De Raad kan de uit de overwegingen over de ontvankelijkheid van het
beroep tegen het bestreden besluit door de rechtbank getrokken conclusie
niet onderschrijven en overweegt daartoe als volgt.
Gelet op de strekking en reikwijdte van het bestreden besluit - een
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in verband met het
besluitbegrip, zoals dat is vervat in artikel 1:3, eerste lid, van de
Awb - is appellant zonder meer als belanghebbende te beschouwen in de
door hem naar aanleiding van het bestreden besluit aangespannen
beroepsprocedure. Appellant moet immers als indiener van een bezwaar
worden geacht een in rechte te beschermen belang te hebben bij de
beoordeling van de vraag of dat bezwaar terecht in verband met even
genoemd besluitbegrip niet-ontvankelijk is verklaard. Bij de
beantwoording van die vraag is uitsluitend aan de orde of gedaagde in
het bestreden besluit dit besluitbegrip rechtens juist heeft uitgelegd
en toegepast. Eerst indien in rechte is komen vast te staan dat een
bezwaar dan wel een beroep is gericht tegen een besluit als bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, komt de vraag aan de orde of degene
die het rechtsmiddel van bezwaar dan wel beroep aanwendt in de concrete,
specifieke omstandigheden van dat geval kan worden geacht daarbij een
belang te hebben, zoals nader is aangegeven en beoordeeld als in de
aangevallen uitspraak. Een en ander vloeit naar het oordeel van de Raad
voort uit het stelsel van rechtsbescherming, zoals dat is neergelegd in
onder andere artikel 8:1 in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van
de Awb.
Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard
wegens gebrek aan belang. De aangevallen uitspraak dient derhalve te
worden vernietigd en appellant dient met toepassing van artikel 26,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet ontvankelijk te worden
verklaard in zijn beroep. De Raad is voorts van oordeel dat deze zaak
met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet zonder terugwijzing naar
de rechtbank kan worden afgedaan, omdat zij naar zijn oordeel geen
nadere behandeling door de rechtbank behoeft. De Raad overweegt daartoe
als volgt.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat het bezwaar zich niet richt
tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De
betreffende toelichting in het informatieblad "Inzicht" bevat
immers alleen algemene informatie over de verschuiving van de
betreffende betaaldata en niet een op de concrete situatie van appellant
of enig ander rechtssubject betrekking hebbende beslissing omtrent de
voortaan in diens situatie geldende betaaldata. Deze toelichting houdt
derhalve geen publiekrechtelijke rechtshandeling in als bedoeld in even
genoemd artikellid. Gedaagde heeft het bezwaar van appellant naar
aanleiding van dit artikel bij het bestreden besluit dan ook terecht
niet-ontvankelijk verklaard, zodat het beroep van appellant tegen dit
besluit ongegrond is.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat het
door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient
te worden vergoed.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ontvankelijk en alsnog ongegrond;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van 170,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) J.J.B.
van der Putten.
|
|