|
Uitspraak
98/3126
AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Sociale Verzekeringsbank, appellant,
en
[A.], wonende te [B.], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 oktober 1997 heeft appellant aan gedaagde een boete
opgelegd van f 900,-, omdat gedaagde een wijziging in het inkomen van
zijn echtgenote niet binnen vier weken aan appellant had doorgegeven.
Bij beslissing op bezwaar van 22 december 1997 heeft appellant, onder
meer, het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 1997 ongegrond
verklaard.
De president van de Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij
uitspraak van 10 maart 1998 het besluit van 22 december 1997 vernietigd,
voor zover betrekking hebbend op de aan gedaagde opgelegde boete, en het
beroep in zoverre gegrond verklaard, met bepaling dat appellant het
griffierecht aan gedaagde dient te vergoeden.
Appellant is van die uitspraak op bij beroepschrift aangevoerde gronden
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 februari
2000, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.D.
Homan, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar gedaagde niet is
verschenen.
De Raad heeft na die zitting het onderzoek heropend.
Het geding is wederom behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21
maart 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van
der Most, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank en waar namens
gedaagde is verschenen zijn zoon [C.].
II. MOTIVERING
Gedaagde, die [in] 1931 is geboren, ontvangt sedert 1 juli 1996 een
ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ter hoogte
van 96% van het pensioen voor een gehuwde alsmede een toeslag ingevolge
de AOW ter hoogte van f 566,81 bruto per maand. Bij de vaststelling van
de hoogte van de toeslag is appellant uitgegaan van een inkomen uit
arbeid van gedaagdes echtgenote van f 1065,50 per maand.
Na kennisneming van een door gedaagde op 6 augustus 1997 ingevuld
inkomensopgaveformulier, waaruit bleek dat gedaagdes echtgenote een
VUT-uitkering ontving, heeft appellant vastgesteld dat de hoogte van die
uitkering sedert 1 januari 1997 f 1063,44 en sedert 1 juli 1997 f
1074,01 per maand bedroeg. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van
12 september 1997 heeft appellant de toeslag ingaande 1 januari 1997
vastgesteld op f 6,35 en ingaande 1 juli 1997 op f 5,36 per maand en is
de teveel betaalde toeslag tot een bedrag van f 5.241,76 van gedaagde
teruggevorderd.
Appellant heeft bij zijn eveneens in bezwaar gehandhaafde besluit van 15
oktober 1997 aan gedaagde een boete opgelegd van f 900,-. Deze boete is
gebaseerd op het bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid (Stb. 1996, 248, hierna: Wet boeten)) ingevoerde
artikel 17c van de AOW en het ter uitvoering van artikel 17c AOW door de
Sociale Verzekeringsbank vastgestelde Boetebesluit AOW (Stcrt. 1996, 141,
nadien gewijzigd). Daarbij is overwogen dat gedaagde de wijziging van
het inkomen van zijn echtgenote per 1 januari 1997 binnen vier weken had
moeten melden en dat het feit dat de hoogte van het inkomen vóór en na
die datum nagenoeg gelijk was daaraan niet afdoet. Voorts heeft
appellant er nog op gewezen dat aan alle AOW-gerechtigden is medegedeeld
dat inkomsten van de partner uit vroegere arbeid, voor
pensioengerechtigden die op of na 1 juli 1996 de leeftijd van 65 jaar
hebben bereikt, niet langer onder de vrijlatingsregeling, bedoeld in
artikel 11 van de AOW, vallen.
De rechtbank heeft gedaagdes beroep voor zover gericht tegen de
verlaging van de toeslag en de terugvordering ongegrond verklaard en
voor zover gericht tegen de boete gegrond verklaard, met vernietiging
van dat besluit. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het gaan
ontvangen van de VUT-uitkering geen omstandigheid is waarvan het
gedaagde redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat die van invloed kon
zijn op de hoogte van zijn uitkering, nu zulks niet uit het bepaalde in
artikel 3 van het Boetebesluit AOW kan worden afgeleid, er sprake is van
een gering verschil tussen het inkomen van zijn echtgenote vóór en na
1 januari 1997 en gedaagde over de wijzigingen ten aanzien van inkomsten
in verband met arbeid per 1 juli 1996 door appellant slechts summier is
geïnformeerd.
Appellant heeft dit oordeel betwist, aanvoerende dat gedaagde zijn
mededelingsverplichting niet heeft nageleefd en dat appellant op grond
van het bepaalde in het Boetebesluit AOW bevoegd was een boete op te
leggen.
De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de
vraag of de door appellant opgelegde boete van f 900,- in rechte stand
kan houden. Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad vast dat het
op 1 februari 2001 in werking getreden Boetebesluit
socialezekerheidswetten van 14 oktober 2000 (Stb. 462) voor het aan
gedaagde verweten gedrag voorziet in het opleggen van een lichtere
boete, te weten een boete van f 525,-. Nu uit 's Raads uitspraak van 1
maart 2000 (RSV 2000/87) voortvloeit dat bezien moet worden of een
besluit waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd in overeenstemming is
met een nadien totstandgekomen regeling waarbij voorzien is in een
lichtere straf, kan het bestreden besluit reeds op deze grond niet in
stand blijven, hetgeen namens appellant ook ter zitting is erkend.
Ten aanzien van de vraag of gedaagde de mededelingsverplichting niet
heeft nageleefd overweegt de Raad het volgende. Krachtens het bepaalde
in artikel 49 van de AOW is de pensioengerechtigde verplicht aan
appellant, hetzij op verzoek hetzij onverwijld uit eigen beweging, alle
feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan het hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde
het feit dat zijn echtgenote ingaande 1 januari 1997 niet langer
inkomsten uit arbeid ontving doch een VUT-uitkering, zijnde een
wijziging in de aard van de inkomsten, onverwijld had moeten melden aan
appellant.
De Raad voegt daar echter aan toe dat in deze zaak sprake is van een
samenstel van omstandigheden die elk op zichzelf niet, maar in hun
onderlinge samenhang beschouwd wel kunnen leiden tot het oordeel dat
sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zoals ook namens appellant
ter zitting is bevestigd. Daarbij acht de Raad van belang dat een
wijziging van de aard van de inkomsten ten tijde hier van belang niet
werd genoemd in het Boetebesluit AOW als een te melden omstandigheid en
dat de hoogte van het inkomen van gedaagdes echtgenote per 1 januari
1997 nauwelijks wijzigde. Voorts acht de Raad het niet onmogelijk dat,
gelet op het feit dat een wijziging in de aard van het inkomen voor 1
juli 1996 niet relevant was voor de hoogte van de toeslag AOW en nadien
alleen voor personen die vanaf of na die datum voor het eerst aanspraak
op een toeslag hadden, onduidelijkheid bestond bij gedaagde over de
relevantie van de hiervoor bedoelde wijziging voor zijn aanspraak op een
toeslag AOW.
Het vorenstaande voert tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, zij
het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt. Appellant
dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het
in deze, 's Raads, uitspraak overwogene.
De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht, welke kosten worden begroot op f 71,44,- inzake een
vergoeding van reiskosten. Van overige voor vergoeding in aanmerking
komende kosten is de Raad niet gebleken.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding van appellant een recht te
heffen, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat het oordeel van
de rechtbank terecht is bestreden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde ad f 71,44,- te
betalen aan gedaagde.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart
en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2001.
(get.) N.J.
Haverkamp.
(get.) M.B.M.
Vermeulen.
|
|